ZEKERHEID EN VREUGDE VAN DE BEHOUDENIS - ALGEMEEN

 

0341

 

  1. t’ Zij vreugde mijn deel is, of smart mij verteert,
    En stormwind en nacht mij verschrikt,
    Gij hebt mij, mijn Heiland, te roemen geleerd:
    ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikt.

    ’t Is mij goed, ’t is mij goed
    Wat God doet, wat God doet;
    ’t is mij goed, wat mijn God mij beschikt.

  2. Uw deel, hoeveel zwaarder is ’t hier niet geweest!
    Hoe spande niet satan zijn strik!
    En ziend’ op Uw kruis roemt in mij ook mijn geest;
    ’t Is mij goed, wat mijn God mij beschikt.

  3. Heer, laat in mij sterven Uw troost mij nabij,
    Dat mij dan Uw liefde verkwikt;
    Dan dank ik, hoe bang mij de doodstrijd ook zij:
    ’t is mij goed, wat mijn God mij beschikt.

Zoek op:

Eerste Regel of Onderwerp


Terug naar Bijlage