Het leven van het altaar en de tent

Schriftlezing:

Genesis 12:7-8; 13:3-4, 18

 

Het leven van een christen is het leven van het altaar en de tent. Het altaar is ten aanzien van God terwijl de tent betrekking heeft op de wereld. In Zijn aanwezigheid vereist God dat Zijn kinderen een altaar hebben en op aarde vereist Hij dat ze een tent hebben. Een altaar heeft een tent nodig en een tent heeft op zijn beurt een altaar nodig. Het is onmogelijk om een altaar te hebben zonder een tent en het is ook onmogelijk om een tent te hebben zonder terug te vallen op het altaar. Het altaar en de tent zijn nauw met elkaar verbonden; zij kunnen niet van elkaar gescheiden worden.

 

HET LEVEN VAN HET ALTAAR

 

Genesis 12:7 zegt: "Toen verscheen de Here aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En Hij bouwde daar een altaar voor de Here, die hem verschenen was." In dit vers zien we dat het altaar gebaseerd is op Gods verschijning. Zonder een goddelijke verschijning is er geen altaar. Niemand kan zich aan God opofferen zonder Hem eerst ontmoet te hebben. Tenzij God aan een mens verschenen is, kan hij zich onmogelijk aan God opofferen. Toewijding is niet het resultaat van iemands aansporing of overredingskracht, maar van Gods openbaring. Als God niet eerst aan iemand verschenen is, kan hij onmogelijk alles wat hij bezit vrijwillig op het altaar leggen. Van nature kan niemand zich aan God opofferen. Zelfs wanneer iemand zich aan God wil opofferen, moet hij constateren dat hij eigenlijk niets heeft. Sommigen zeiden: "Ik zou graag mijn hart aan de Heer geven, maar mijn hart wil niet." Het is onmogelijk voor de mens om aan Gods kant te staan. Maar wanneer de mens God ontmoet, dan zal toewijding in zijn leven spontaan plaatsvinden. Indien je zelfs maar één keer een glimp van God opvangt en Hem maar één keer aanraakt, behoor je al niet langer aan jezelf toe. God is Iemand die je niet zomaar even lichtjes aan kan raken! Wanneer iemand God aanraakt, kan hij niet langer voor zichzelf leven.

 

We moeten ons realiseren dat de kracht om jezelf aan God op te offeren door Zijn verschijning en openbaring komt. Zij die over toewijding praten, zijn niet noodzakelijkerwijs zelf toegewijd. Niet iedereen die de toewijding predikt of die de leerstelling van de toewijding begrijpt, is zelf iemand die toegewijd is. Alleen zij die God gezien hebben zijn toegewijde personen. Gods verschijning aan Abraham had tot onmiddellijk gevolg dat Abraham een altaar voor God bouwde. De Here Jezus verscheen aan Paulus op de weg naar Damascus en Paulus antwoordde onmiddellijk: "Here, wat moet ik doen?" (Hand. 22:10). Ons besluit om iets voor God te doen, brengt geen keerpunt in ons geestelijk leven teweeg; het is niet het resultaat van ons besluit het een of ander voor God te doen. Het gebeurt eenvoudig wanneer we Hem zien. Wanneer we God ontmoeten, vindt er een radicale verandering in ons leven plaats. We kunnen niet langer doen wat we in ons verleden uitvoerden. Wanneer we God zelf ontmoeten, hebben we de kracht om onszelf te verloochenen. Onszelf verloochenen is niet langer naar eigen keuze, wanneer we God ontmoet hebben. Zijn verschijning maakt het onmogelijk voor iemand om alleen verder te gaan; hierdoor wordt hij gedwongen niet langer door zichzelf te leven. Gods verschijning komt met onuitputtelijke kracht. Een dergelijke verschijning verandert iemands hele levensloop. Voor een christen is de kracht om voor God te leven, gebaseerd op zijn visie van God. O, het is niet ons besluit om de Heer te dienen, wat ons in staat stelt om Hem te dienen! En het is ook niet onze wil om een altaar te bouwen, wat een altaar oplevert. Een altaar wordt alleen dan gebouwd wanneer God aan iemand verschijnt.

 

Dank de Heer dat Hij niets hoeft te zeggen wanneer Hij verschijnt – vaak verkiest Hij echter wel iets te zeggen. Toen God aan Abraham verscheen zei Hij tot hem: "Aan uw nageslacht zal ik dit land geven" (Gen. 15:18). Gods verschijning brengt ons tot een nieuwe erfenis. Hierdoor beseffen we dat de Heilige Geest al aan ons gegeven is als een onderpand van de erfenis, die we later ten volle zullen bezitten. Het deel dat we vandaag in de Heilige Geest hebben ontvangen, zullen we in de toekomst ten volle bezitten. Eerst dan wanneer Gods plan is voltooid, zullen we de erfenis ten volle kunnen genieten en binnengaan.

 

God verscheen aan Abraham en Abraham bouwde vervolgens een altaar. Dit altaar was niet bedoeld voor een zondoffer maar voor een brandoffer. Een zondoffer is voor verlossing, terwijl een brandoffer een offeren van onszelf aan God is. Het altaar verwijst hier niet naar de plaatsvervangende dood van de Heer Jezus voor ons; het verwijst naar onze toewijding aan God. Het was dit soort altaar waarover Romeinen 12:1 sprak: "Ik vermaan u dan broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst." Het was Gods barmhartigheid die de Heer Jezus ertoe bracht om voor ons te sterven. Het was ook Gods barmhartigheid die voor het kruis zorgde waaraan wij met Hem stierven en waaraan Hij tevens met de duivel afrekende. Door Gods barmhartigheid hebben wij nu Zijn leven in ons en door Zijn barmhartigheid brengt Hij ons in de heerlijkheid. Het is op grond van Zijn barmhartigheden dat God ons dringend verzoekt om onszelf als een levende offerande aan Hem op te offeren.

 

Met betrekking tot het brandoffer moeten wij beseffen dat iemand met overvloedige bezittingen misschien een os, iemand met minder bezittingen misschien een schaap en iemand met nog minder bestaansmiddelen op z'n hoogst een tortelduif of een duif kon offeren (Lev.1:3,10,14). Of iemand nu een os, een schaap, een tortelduif of een duif offerde, het moest in ieder geval volledig geofferd worden. Het was onmogelijk om een halve os of een half schaap te offeren. God wil altijd alles in zijn geheel; Hij accepteert geen half offer. Onvolledige toewijding is voor Hem onaanvaardbaar.

 

Waarom werd het brandoffer op het altaar gelegd? Omdat het volledig verbrand moest worden. Velen onder ons denken dat wij onszelf aan God opofferen om dit of dat voor Hem te doen. Wat God werkelijk van ons verlangt is een brandoffer. Hij heeft geen os nodig om de akker om te ploegen; Hij heeft de os alleen nodig ter verbranding op het altaar. God verlangt niet naar ons werk, Hij verlangt naar ons. Hij wil dat wij onszelf aan Hem opofferen om voor Hem verbrand te worden. Het altaar betekent niet dat wij iets voor God doen, maar dat wij voor God leven.

 

Het altaar betekent niet dat we het zo druk moeten hebben, maar dat we voor God leven. Het altaar kan onmogelijk door activiteit of werk vervangen worden. Het altaar duidt op een leven dat volledig voor God geleefd wordt. De offerande van het Nieuwe Testament, zoals beschreven in Romeinen 12, is de aanbieding van onze lichamen als een levende offerande en is in tegenstelling met de offerande van het Oude Testament, die in één keer volledig verbrand werd. We worden dagelijks op het altaar verteerd en toch leven we elke dag weer opnieuw; we leven steeds maar door en toch worden we voortdurend verteerd. Dit is de offerande van het Nieuwe Testament.

 

Toen God aan Abraham verscheen, offerde Abraham zichzelf vervolgens aan God op. Zodra iemand God ziet, offert hij zichzelf volledig aan Hem op. Het is onmogelijk dat iemand God ziet en vervolgens onverschillig blijft. Zodra iemand God ziet, is het altaar aanwezig. Zodra iemand Zijn genade proeft, heeft dit onmiddellijk het altaar tot gevolg. En zodra iemand Gods barmhartigheid ziet, wordt hij een levende offerande. Wanneer het licht van de Heer komt zegt hij: "Wat zal ik doen, Heer?"

 

Abraham had niet veel over toewijding gehoord en hij werd ook niet door anderen aangespoord om zichzelf toe te wijden. Maar Abraham zag God en bouwde daarop onmiddellijk een altaar voor Hem. O, broeders en zusters, toewijding is een spontane zaak. Wanneer God Zichzelf aan iemand openbaart, kan hij niets anders doen dan voor Hem te leven. Zodra God aan iemand verschijnt, leeft hij volledig voor God. Zo was het ook met Abraham en zo is het geweest met iedereen die God heeft ontmoet gedurende de tweeduizend jaar kerkgeschiedenis.

 

HET LEVEN VAN DE TENT

 

De tent is het resultaat van het altaar. Genesis 12:8 zegt: "Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent." Vanaf die tijd woonde Abraham in Gods huis – Betel. Vanaf die tijd woonde hij in een tent. Ofschoon hij voordien ook in een tent woonde, vermeldde God dit feit echter niet. Pas nadat hij het altaar gebouwd had, bracht het Woord van God de tent in beeld.

 

Wat is een tent? Een tent is iets wat je kunt verplaatsen; het is iets wat zich nergens vestigt. Door middel van het altaar neemt God ons onder handen; en door middel van de tent pakt God onze bezittingen aan. Op het altaar offerde Abraham alles op aan God. Werd hem daarna alles afgenomen, zelfs zijn kleding en bezittingen? Nee! Abraham bezat nog steeds vee en schapen en vele andere dingen, maar hij was nu een tentbewoner. Alles wat niet op het altaar verteerd werd, mocht alleen in de tent bewaard worden. Hier zien we dus een bepaald principe. Alles wat we hebben, moet op het altaar gelegd worden. Er blijft echter altijd wel iets over. Dat mogen we dan voor eigen gebruik aanwenden. Toch behoren die dingen niet aan ons toe - ze moeten in de tent achterblijven. We moeten niet vergeten dat zich niets in de tent mag bevinden wat niet via het altaar is gegaan. En toch wordt niet alles verteerd wat via het altaar gaat. Vele dingen worden door het vuur verbrand en bestaan dan eenvoudig niet meer. Wanneer we vele dingen aan God toewijden, neemt Hij ze en er blijft niets achter. Toch laat God enkele dingen die wij op het altaar offerden, liggen voor eigen gebruik. De dingen voor eigen gebruik die via het altaar zijn gegaan, mogen alleen in de tent bewaard worden.

 

Abrahams leven was een leven van het altaar. Er kwam een dag dat zelfs zijn eniggeboren zoon op het altaar geofferd werd. Maar wat deed God toen met Isaak? Hij nam hem niet weg. God accepteert wat jij op het altaar legt. Hij kan niet toestaan dat je voor jezelf, voor je eigen genoegen of door middel van je eigen kracht zou leven. Het altaar vereist alles van ons – en toch wordt niet alles wat op het altaar ligt verbrand. Heel veel dingen die op het altaar worden gelegd, zijn net als Isaak; God geeft ze weer aan je terug. Daarna kunnen de dingen in je hand niet langer als jouw eigendom worden beschouwd; zij mogen alleen in de tent bewaard worden.

 

Sommige mensen stellen de vraag: "Indien ik mij volledig aan God overgeef, moet ik dan al mijn bezittingen verkopen en tevens al m'n geld weggeven? Indien ik mij volledig aan God toewijd, hoeveel stoelen en tafels mag ik dan in m'n huis hebben? En hoeveel kleren mag ik dan in m'n garderobe hebben?" Sommige mensen zijn over dergelijke vragen volslagen verbijsterd. Maar we moeten niet vergeten dat we twee levens hebben. Het ene leven leven wij voor God, terwijl we het andere in de wereld moeten leven. In ons leven voor God moet alles op het altaar worden gelegd, maar voor ons leven in de wereld hebben we nog steeds vele materiële dingen nodig. Voor ons leven in de wereld hebben we o.a. kleding, voedsel en woongelegenheid nodig. We moeten ons geheel en al aan God toewijden en uitsluitend voor Hem leven; maar als Hij zegt dat wij een bepaald ding kunnen houden, dan mogen we het houden. Niettemin moeten wij het principe van de tent op alle fysieke dingen, die Hij ons toestaat te bezitten, toepassen, omdat Hij ze aan ons teruggaf om in onze behoeften in de wereld te voorzien. Indien we ze niet nodig hebben, moeten we ze eenvoudig van de hand doen. We mogen ze gebruiken, maar we moeten ons niet door hen laten beïnvloeden. We kunnen ze bezitten of we kunnen ze van de hand doen; ze kunnen aan ons gegeven worden of ze kunnen van ons afgenomen worden. Dit is het leven van de tent.

 

Dat we deze les mogen leren. We durven niets te gebruiken wat niet eerst op het altaar werd gelegd. We mogen zelf niets van het altaar afnemen; en wat God aan ons teruggeeft, moet volgens het principe van de tent bewaard worden.

 

HET TWEEDE ALTAAR

 

Genesis 12:8 zegt: "Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Betel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de Here." Dit is Abrahams tweede altaar. Het altaar voerde tot de tent en de tent voerde weer tot het altaar. Wat het altaar aangaat, hebben wij geen bezittingen meer; terwijl het overschot van het altaar in de tent gelegd moet worden. Niets kan ons hart meer in beslag nemen; ons geweten is in alle rust voor God en we kunnen vrijmoedig tot Hem zeggen: "Ik heb niets van U achtergehouden." Op deze wijze voert de tent ons terug tot het altaar. Indien onze bezittingen "wortelschieten" en we geen afstand meer van ze kunnen doen, worden we door hen aan banden gelegd en zal een tweede altaar er nooit van komen.

 

Wanneer we onszelf op het altaar leggen en ons geheel en al aan God toewijden, vertrouwt Hij bepaalde dingen aan ons toe voor eigen gebruik. Wat in de tent mag blijven en wat weer op het altaar teruggelegd moet worden, is niet naar onze eigen keuze. Alles moet eerst aan het altaar voorbij. Wat God aan ons toevertrouwt voor eigen gebruik, mogen we in de tent leggen. En toch moeten we altijd weer bij God navraag doen met betrekking tot alle voorwerpen in de tent – we mogen alleen die voorwerpen houden waarvoor God Zijn toestemming heeft gegeven. We mogen niets voor onszelf houden. Alles moet eerst aan het altaar voorbij; we moeten eerst bij God navraag doen over elk voorwerp, voordat we ze in de tent mogen leggen. Alles wat in de tent werd gelegd, kan elk ogenblik weer aan het altaar voorbij. Wanneer God zegt: "Dit heb je niet nodig," moeten we het onmiddellijk prijsgeven. Indien we ons aan bepaalde dingen vastklampen en zeggen: "Dit is van mij," dan hebben we het altaar al verlaten en zijn we niet langer toegewijd. We kunnen niet naar het tweede altaar terugkeren en tot God zeggen, dat ons leven voor Hem geleefd wordt.

 

God vereist dat alles wat we bezitten op het altaar gelegd wordt en dat wij alles wat Hij aan ons toevertrouwt in de tent leggen. We kunnen het tweede altaar alleen dan ervaren wanneer alles in de tent is. De ervaring van het tweede altaar is zeer kostbaar. Het is niet moeilijk voor ons om opgewonden en geestdriftig te zijn en zelfs om ons toe te wijden. Maar drie of vijf jaar later, nadat we vele dingen in de wereld hebben verzameld, is het moeilijk voor ons om naar het altaar terug te keren. Het is zeer kostbaar wanneer wij altijd maar tentbewoners blijven en een tweede altaar bouwen. Het probleem is niet dat wij bezittingen hebben. Het probleem heeft met onze toewijding te maken.

 

HET HERSTEL VAN HET ALTAAR EN DE TENT

 

Abraham had zijn gebreken. Op een gegeven moment in zijn leven verliet hij het altaar en de tent en ging hij naar Egypte. Maar er was een herstel. Hoe kwam dit herstel tot stand? Genesis 13:3-4 zegt: "En hij ging van de ene pleisterplaats naar de andere, uit het Zuiderland tot bij Betel, de plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had, tussen Betel en Ai, naar de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had, en Abram riep daar de naam des Heren aan." Herstel is een kwestie van terugkeren naar het altaar en de tent. Heb je ooit weleens fouten gemaakt? Heb je je weleens vergist? Of heb je ooit weleens verraad gepleegd? Ben je weleens naar Egypte teruggekeerd, zodat je nu je eigen eisen, hoop, interesses en verlangens hebt? Indien je nu op zoek bent naar herstel, dan zul je tot het altaar en de tent terug moeten keren. Het Woord van God laat ons duidelijk zien, dat het herstel van Abraham te maken had met zijn terugkeer tot de "plaats, waar zijn tent in het eerst gestaan had... de plaats van het altaar, dat hij daar vroeger gemaakt had." Herstel betekent terugkeren naar de tent en het altaar.

 

Wat gebeurde er met Abraham na zijn herstel? Genesis 13:18 zegt: "Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre, bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de Here." Hebron is de plaats waar men gemeenschap met God kan hebben; het is de plaats waar men eeuwige en voortdurende gemeenschap kan hebben. Abraham woonde in Hebron; en het was in Hebron dat hij nog een altaar voor God bouwde. Indien wij gemeenschap met God willen hebben, mogen wij het altaar nooit verlaten. Dat Hij ons genadig mag zijn en ons de belangrijkheid van toewijding mag laten zien, opdat wij een leven van het altaar en de tent mogen leiden!

 

Watchman Nee

The Life of the Altar and the Tent