CHRISTUS ONZE RECHTVAARDIGHEID

Schriftlezing:
2 Pe. 1:1; 1 Kor. 1:30; Fil. 3:9

 

INLEIDING

 

We hebben inmiddels gezien dat iemand die gered is een aantal dingen moet weten. Ten eerste moet hij weten dat hij een zoon van God is. Ten tweede moet hij Gods rechtvaardigheid kennen. Ten derde moet hij niet alleen Christus' rechtvaardigheid kennen, maar hij moet tevens weten dat Christus onze rechtvaardigheid is geworden. Nu zullen we eerst het verschil tussen de rechtvaardigheid van Christus en Christus als onze rechtvaardigheid in ogenschouw nemen. Er is een groot verschil tussen deze twee dingen en we moeten hen goed van elkaar onderscheiden.

 

DE RECHTVAARDIGHEID VAN CHRISTUS

 

De meeste mensen denken, dat, nadat we christen geworden zijn, alles wat van Christus is nu aan ons toebehoort. Maar de Bijbel zegt niet dat we gered zijn door de rechtvaardigheid van Christus of dat de rechtvaardigheid van Christus onze rechtvaardigheid geworden is. De uitdrukking de rechtvaardigheid van Christus wordt uitsluitend gebruikt in 2 Petrus 1:1 met betrekking tot Christus' eigen rechtvaardigheid. Zonder de rechtvaardigheid van Christus hebben we geen Redder. Christus is de Zaligmaker, omdat Hij rechtvaardig is. Maar Zijn rechtvaardigheid heeft alleen betrekking op Hemzelf. De rechtvaardigheid van Christus stelt Hem in staat om onze Redder te zijn.

 

Wanneer we de Bijbel lezen, mogen we niet veranderen wat we lezen. We moeten niet tevreden zijn met vage begrippen en vage antwoorden. Gedurende de laatste tien of meer jaar heb ik anderen vaak twee vragen gesteld: Door welke rechtvaardigheid zijn wij gered? Door wiens rechtvaardigheid kunnen we tot God naderen? Veel mensen moesten het juiste antwoord schuldig blijven. Zo zeiden ze bijvoorbeeld dat ze gered waren door de rechtvaardigheid van Christus en dat ze eveneens door Christus' rechtvaardigheid tot God naderen. Dit is absoluut onjuist. Laat me het op deze manier zeggen: de rechtvaardigheid van Christus was de bevoegdheid die de Heer ten aanzien van God had voordat Hij mens werd. Deze rechtvaardigheid heeft absoluut niets met ons te maken. Wij waren niet één met de Heer tijdens Zijn wandel op deze aarde; wij waren één met Hem aan het kruis. Alles wat de Heer op deze aarde deed heeft niets met ons te maken. We moeten goed bedenken dat een graankorrel pas meerdere graankorrels voortbrengt, nadat hij in de aarde gevallen is. Christenen werden pas één met Christus ten tijde van Zijn dood en niet bij Zijn geboorte. Toen Christus in Bethlehem geboren werd en op aarde leefde, konden de mensen Hem alleen op een afstand volgen. Ze konden alleen zeggen: "Zie, het lam Gods!" (Joh. 1:29). Pas wanneer we bij Romeinen 6 komen, zien we dat we één geworden zijn met de gelijkenis van Zijn dood en Zijn opstanding (v. 5). In Gods ogen wordt een christen dus niet rechtvaardig door de rechtvaardigheid van Christus, maar door Christus Zelf. Wij worden gered, doordat we Christus Zelf ontvangen.

 

CHRISTUS DIE ONZE RECHTVAARDIGHEID WORDT

 

Op een keer sprak ik met een student in de theologie. Ik zei: "De Bijbel zegt niet dat we bekleed zijn met de rechtvaardigheid van Christus. Hij zegt alleen dat we met Christus bekleed zijn." Galaten 3:27 zegt dat we Christus aangedaan hebben. Wij zijn vandaag niet bekleed met de rechtvaardigheid van Christus, maar met Christus Zelf. De rechtvaardigheid van Christus is namelijk iets wat van Christus Zelf is en wat inmiddels tot de geschiedenis behoort. Vandaag kunnen wij christenen tot God naderen, omdat wij met Christus bekleed zijn. Omdat Christus tot onze rechtvaardigheid geworden is en voor eeuwig leeft, kunnen we op elk moment tot God naderen.

 

Hoe kunnen wij, als zondige mensen met zovele tekortkomingen, tot God naderen? Waarom zou God onze gebeden moeten beantwoorden? Een van onze zusters meende dat boosheid geen zonde was en ze wilde er daarom ook niet mee afrekenen. Later was er iets wat ze maar niet kon overwinnen en toch wilde ze dit met de Heer in orde maken. Ze belde me op en maakte een afspraak voor een gesprek. Ik vertelde haar dat ze moest bidden, wat ze vervolgens ook deed. Voordat ze naar de Heer ging, was het onderwerp van rechtvaardigheid helemaal niet in haar opgekomen. Maar zodra ze zich tot God wendde, schoot de kwestie van rechtvaardigheid haar wel te binnen. Ze dacht bij zichzelf "met welke soort rechtvaardigheid moet ik nu tot God komen?" Ze besefte toen dat haar boosheid een zonde was en ze erkende bovendien dat ze in zichzelf geen rechtvaardigheid bezat. Een nieuwe gelovige bidt vaak als volgt: "Wat is mijn basis om tot God te naderen?" Stel nu eens dat je in je slaapkamer bent. Je kunt je dan op elke gewenste manier kleden. Maar wanneer je een gast in huis hebt, moet je je uiteraard netjes aankleden. Niemand zal zich echter netjes aankleden wanneer hij naar bed gaat. Om reden dat je dan alleen bent – het is dan uiteraard niet nodig om je netjes te kleden. Maar overdag ontmoet je voortdurend mensen; dientengevolge moet je je netjes aankleden. Evenzo, vraagt een mens zich af hoe hij zich moet kleden wanneer hij tot God nadert. Vaak, wanneer een familielid ziek is of in moeilijkheden zit, wordt men gedwongen om tot God te naderen. Op dat moment herinnert men zich vaak allerlei zonden, die men aanvankelijk negeerde.

 

Hoe kunnen we tot God naderen? 1 Korintiërs 1:30 is een geweldig vers in het Nieuwe Testament. Dit vers openbaart dat een christen niet tot God nadert door zijn eigen rechtvaardigheid. Ook zal hij niet tot God naderen met allerlei zonden. Veeleer zal hij uitsluitend door Christus tot God naderen. Voor een christen is de toegang tot God niet gebaseerd op zijn eigen rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid. Dit vers laat ons duidelijk zien dat Christus de rechtvaardigheid van de gelovigen geworden is. Het is dus niet iets van Christus wat tot onze rechtvaardigheid geworden is; het is veeleer Christus Zelf die onze rechtvaardigheid werd. 'Iets' van Christus kan nooit zo volkomen en volmaakt zijn als Christus Zelf. Zodra Christus Zelf onze rechtvaardigheid wordt, zal God ons onmiddellijk ontvangen.

 

De ervaring van de meeste christenen volgt een bepaald patroon: als ze 's morgens hun Bijbel lezen en ze er overdag bovendien in slagen om hun kalmte te bewaren, kunnen ze 's avonds krachtig bidden. Maar als ze overdag falen, is hun gebed 's avonds erg zwak. Maar in feite is het zo, dat, zelfs wanneer we zondigen, Christus nog steeds onze rechtvaardigheid is. Dat feit blijft onveranderd, omdat we nu eenmaal in Christus zijn. Als we ons vandaag goed gedragen en denken dat we daarom in staat zijn om tot God te naderen, naderen we tot Hem op basis van onze eigen rechtvaardigheid. Dit is een onjuiste voorstelling. God ontvangt ons namelijk niet op grond van onze eigen rechtvaardigheid en nog minder op grond van onze onrechtvaardigheid. Zijn ontvangst van ons is gebaseerd op Christus Zelf. Een christen wordt niet onrechtvaardiger door te zondigen, noch wordt hij rechtvaardiger door het goede te doen. Zonde zal de rechtvaardigheid van een christen dus niet verminderen, net zomin als goede daden zijn rechtvaardigheid niet zullen vergroten. Onze rechtvaardigheid ten aanzien van God is namelijk niet afhankelijk van ons gedrag, maar van Christus Zelf. Onze rechtvaardigheid ten opzichte van God verandert nooit. Rechtvaardigheid is immers een persoon en geen ding. De rechtvaardigheid van een christen is de levende Christus, niet een of ander dood ding. Zelfs al zouden we alle zonden van de wereld bedreven hebben, dan nog is Christus onze rechtvaardigheid. Vroeg of laat zal iedere christen moeten beseffen Wie nu eigenlijk zijn rechtvaardigheid is.

 

CHRISTUS AANTREKKEN

 

Hoewel het kleed der rechtvaardigheid een redelijk goede illustratie is, is het nog altijd geen perfecte illustratie. In het Oude Testament bedroog Jakob zijn vader om zodoende zijn zegen te ontvangen. Jakobs broer was een behaarde man, maar hijzelf was onbehaard. Rebekka gaf Jakob de mantel van Esau en bedekte zijn handen en nek met geitevel in een poging om de zegen van zijn vader te stelen. Dit is een vermomming; het is bedriegerij. Zo moeten christenen niet tot God naderen. Wij zijn niet bekleed met de mantel der rechtvaardigheid; wij zijn bekleed met Christus Zelf. Wij hebben niet slechts het kleed van Christus aangetrokken, wij hebben Christus Zelf aangetrokken. Galaten 3:27 spreekt over het aantrekken van Christus. De rechtvaardigheid die we nu hebben overtreft uiteraard onze eigen rechtvaardigheid. Christus Zelf is onze rechtvaardigheid. Om deze reden zijn we volmaakt en kan God ons nu aanvaarden.

 

Op grond waarvan kunnen we nu tot God naderen? Wat gaat er door ons heen wanneer we voor Zijn aangezicht komen? Zijn we soms bevreesd wanneer we aan onze zonde denken en vrijmoedig wanneer we aan onze rechtvaardigheid denken? Of zijn onze gedachten bij Christus Zelf? Veel mensen zijn of met hun zonden bezig, of met hun rechtvaardigheid. Laat me nog eens terugkomen op die zuster waar ik het eerder over had. Uiteindelijk bezocht ik haar en vroeg haar naar haar gebedsleven. Ze antwoordde: "Ik kan niet goed bidden, omdat ik nogal humeurig ben." Ik zei: "God zal je niet antwoorden wanneer je humeurig bent en Hij zal je ook niet antwoorden wanneer je goedgeluimd bent." Ze kon mijn woorden echter niet begrijpen. Ik zat in mijn stoel en zei op schijnbaar arrogante wijze: "In één ding ben ik beter dan jij: ik heb namelijk het vertrouwen dat God mijn gebeden zal beantwoorden. Wat denk jij?" Ze zei: "Dat geloof ik niet. Dat beweer je alleen maar." Ik zei: "Ik ben misschien net zo goed of net zo slecht als jij, of ik ben misschien zelfs slechter dan jij. Maar de rechtvaardigheid waar ik in geloof en die ik ontvangen heb, is anders dan jouw rechtvaardigheid. Ik benader God door Christus als mijn rechtvaardigheid, niet door de rechtvaardigheid van Christus. Ten opzichte van de Heer heb ik zowel mijn eigen rechtvaardigheid als mijn eigen onrechtvaardigheid. Natuurlijk zal Hij mijn onrechtvaardigheid niet als rechtvaardigheid beschouwen, maar mijn rechtvaardigheid zal in Zijn ogen evenmin als rechtvaardig gezien worden. Dit heeft niets te maken met mijn liefde voor Hem, maar veeleer met Zijn liefde voor mij. Ik bewaar mezelf niet; Hij bewaart mij. Het zijn niet mijn handen die Hem vasthouden, maar Zijn handen houden mij vast. Het is niet een kwestie van mijn trouw, maar van Zijn trouw." Ik heb misschien meer gezondigd dan alle aanwezigen bij elkaar, maar ik heb vrijmoedigheid tegenover God, omdat mijn rechtvaardigheid Christus Zelf is.

 

De ervaring van een nieuwe gelovige kan euforisch zijn, net als Paulus' ervaring van de derde hemel. Maar die ervaring kan ook zo laag zijn als een bodemloze put. We moeten echter goed beseffen, dat Christus aan het kruis het probleem van de zonde en dat Christus op de troon het probleem van de rechtvaardigheid opgelost heeft. De rechtvaardigheid die God ons gegeven heeft is Christus Zelf. Zodra Hij Christus eenmaal aan ons gegeven heeft, zal Hij nooit meer van gedachten veranderen. Daarom is ons hart vandaag zo blij. Toen we tot het geloof kwamen, zijn we tot God genaderd op basis van Christus Zelf. Nu we inmiddels al vele jaren gelovigen zijn, naderen we tot God nog steeds op basis van Christus Zelf. Onze groei geeft ons dus niet meer bevoegdheid om tot God te naderen, terwijl onze slechtheid ons niet minder bevoegd maakt om tot Hem te komen. Hebreeën 4:16 zegt dat we altijd vrijmoedig tot God kunnen naderen.

 

ONZE RECHTVAARDIGHEID EN ONS GEDRAG

 

Ik ben inmiddels al meer dan twintig jaar christen. Hoewel mijn gedrag veranderd is, is mijn rechtvaardigheid nooit veranderd. Deze rechtvaardigheid zal ook over twintig jaar nog steeds niet veranderd zijn, omdat mijn rechtvaardigheid de Heer Jezus Christus, de Zoon van God Zelf is. Zelfs wanneer ik zo diep zou vallen als Demas of Alexander de kopersmid, zal ik niet onrechtvaardiger zijn dan nu. Zelfs al zou ik evenveel moeten lijden als Paulus, de Heer evenveel kunnen liefhebben als Johannes of net zo vrijmoedig kunnen zijn als Petrus, zal dat mijn rechtvaardigheid toch op geen enkele manier vergroten. Mijn gedrag kan worden verbeterd, maar mijn rechtvaardigheid nooit. Ik kan weliswaar heiliger worden, maar ik kan niet rechtvaardiger worden, omdat de rechtvaardigheid die God mij gegeven heeft al volmaakt is. Deze rechtvaardigheid is Christus Zelf. Ik ben de meest rechtvaardige persoon op aarde, omdat mijn rechtvaardigheid Christus Zelf is. Net zoals Christus nooit verandert en God altijd behaagt, kan ik ook niet veranderen en behaag ik God altijd.

 

Wanneer dit eenmaal duidelijk is, zijn alle problemen waar een christen mee geconfronteerd wordt, onmiddellijk opgelost. We hebben gezien dat rechtvaardigheid niets te maken heeft met de zonde. Zonde is één ding, terwijl rechtvaardigheid iets heel anders is. Als we God op basis van deze rechtvaardigheid benaderen, kan satan ons niet beschuldigen. Ik hoop dat we deze woorden niet slechts als een soort leerstelling opvatten. In de loop van onze gemeenschap met God moeten we iets nieuws ontdekken. Het moet ons inmiddels duidelijk zijn, dat iemands conditie ten aanzien van God goed of slecht kan zijn, maar dat zijn positie ten opzichte van God nooit verandert. Wanneer ons leven als christen op deze aarde nog eens met twintig of dertig jaar verlengd wordt, zullen we wellicht groeien in heiligheid, geestelijkheid en volwassenheid, maar onze rechtvaardigheid zal onveranderd blijven. Wij zullen daardoor niet meer of minder vrijmoedig zijn, omdat onze rechtvaardigheid eenvoudig Christus Zelf is.

 

Watchman Nee
Christ Our Righteousness