DE FUNCTIES VAN DE GEEST EN DE ZIEL

 

DE GEEST VAN DE MENS

 

Het is een zaak van het hoogste belang, dat de gelovigen weten dat zij een geest hebben. Elk contact tussen God en de mens, speelt zich namelijk af in de geest. Als een gelovige zijn geest niet kent, zal hij ook niet weten hoe hij met God gemeenschap moet hebben in de geest. Dan zal hij het werk van de geest vervangen door zielse activiteiten, zoals die van het verstand en het gevoel. Dit zal ertoe leiden, dat hij altijd ziels zal blijven en het geestelijke bereik nooit zal binnentreden.

 

1 Korintiërs 2:11 spreekt over de geest van de mens die in hem is.

1 Korintiërs 5:4 spreekt over 'mijn geest’.

Romeinen 8:16 spreekt over 'onze geest’.

1 Korintiërs 14:14 spreekt weer over 'mijn geest’.

1 Korintiërs 14:32 spreekt over 'de geesten van de profeten'.

Spreuken 25:28 spreekt over iemands geest.

Hebreeën 12:23 spreekt van de geesten der rechtvaardigen.

Zacharia 12:1 zegt, dat de HERE de geest van de mens in zijn binnenste formeerde.

 

Deze paar verzen zijn voldoende bewijs, dat de mens een geest bezit. Deze geest is niet onze ziel, noch de Heilige Geest. Wij aanbidden God aan de hand van deze geest.

 

Volgens de leer van de Bijbel en de ervaring van de gelovigen, bestaat de geest van de mens uit drie delen of heeft deze geest drie functies. Deze drie delen zijn het geweten, de intuïtie en de gemeenschap. Hoewel de geest de functie van het geweten omvat, betekent dit nog niet, dat de geest het geweten is. We kunnen dit zien aan de hand van de volgende verzen:

 

'Want de Here, uw God, verhardde zijn geest' (Dt. 2:30).

`De Here. . . verlost de verslagenen van geest' (Ps. 34:19).

'Vernieuw in mijn binnenste een vaste geest' (Ps. 51:12).

Na deze woorden werd Jezus ontroerd in de geest' (Joh. 13:21).

'Werd zijn geest in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was' (Hnd. 17:16).

`Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen' (Rom. 8:15).

'Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn' (Rom. 8:16).

'Want ik . . . naar de geest aanwezig' (1 Kor. 5:3).

`Heb ik geen rust gehad voor mijn geest' (2 Kor. 2:12).

'Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid' (2 Tim. 1:7).

 

De geest bezit de functie van intuïtie of bewustzijn. Dit kunnen we opmaken uit de volgende verzen:

 

'De geest is wel gewillig' (Mt. 26:41).

'En Jezus doorzag terstond in zijn geest' (Mc. 2:8).

`En Hij, diep zuchtend in zijn geest' (Mc. 8:12).

'Werd Hij (Jezus) verbolgen in de geest' (Joh. 11:33).

'Deze was ... vurig van geest' (Hnd.18:25).

'Nu reis ik, gebonden door de geest, naar Jeruzalem' (Hnd. 20:22).

'Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest?' (1 Kor. 2:11).

'Want zij hebben mijn geest en de uwe verkwikt' (1 Kor. 16:18).

'Daar zijn geest door u allen verkwikt is' (2 Kor. 7:13).'

 

De geest bezit tevens de functie van gemeenschap of aanbidding. We kunnen dit zien aan de hand van de volgende verzen:

 

'En mijn geest heeft zich verblijd over God, mijn Heiland' (Lc. 1:47).

'Dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid' (Joh. 4:23).

'Want God, die ik met mijn geest dien . . . is mijn getuige' (Rom. 1:9).

'Wij dienen in de nieuwe staat des geestes' (Rom. 7:6).

'Maar gij hebt ontvangen de geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader' (Rom. 8:15).

'Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn' (Rom. 8:16).

'Maar die zich aan de. Here hecht, is één geest (met Hem)' (1 Kor. 6:17).

'Ik zal bidden met mijn geest' (1 Kor. 14:15).

'Indien gij een zegen uitspreekt met uw geest' (1 Kor. 14:16).

'En hij voerde mij weg in de geest' (Op. 21 :10).

 

Aan de hand van deze verzen, kunnen we zien dat de geest minstens uit drie delen bestaat - namelijk het geweten, de intuïtie en de gemeenschap.

 

DE ZIEL VAN DE MENS

 

Behalve de geest - het orgaan dat hem in staat stelt met God te communiceren - heeft de mens ook nog een ziel. De ziel is de zetel van zijn zelfbewustzijn. Vanwege de activiteiten van de ziel, is de mens zich ervan bewust dat hij bestaat. De ziel is het orgaan van zijn persoonlijkheid. Alles wat er in deze persoonlijkheid besloten ligt, alles wat hem tot een mens maakt, is een deel van de ziel. Zijn intellect, zijn verstand, zijn idealen, zijn liefde, hetgeen hem stimuleert, zijn oordeel, zijn wil enzovoorts, zijn stuk voor stuk delen van de ziel.

 

De drie belangrijkste elementen, die deel uitmaken van de persoonlijkheid van de mens zijn: zijn wil, zijn verstand en zijn gevoel. Omdat er te veel verzen zijn die hiernaar verwijzen, zullen we er slechts enkelen vermelden om als voorbeeld te dienen.

 

De ziel omvat de wil:

 

`Zet nu uw hart en uw ziel erop, de Here, uw God, te zoeken' (1 Kr. 22:19).

'Waarop zij hun hart (Heb. - ziel) hebben gezet om daar te wonen' (Jr. 44:14).

'Ik (Heb. - mijn ziel weigert) weiger ze aan te raken' (Job 6:7).

`Zodat ik (Heb. — mijn ziel) verworging verkies, de dood boven mijn smarten' (Job 7:15).

 

De woorden 'weiger' en 'verkies' in de voorafgaande verzen tonen aan dat zij naar de menselijke wil verwijzen.

 

De ziel omvat tevens het intellect of het verstand:

 

`Waarop Ik zal wegnemen ... het verlangen van hun ziel, hun zonen en dochters' (Ez. 24:25).

`Met minachting in hun ziel' (Ez. 36:5).

`Zonder verstand deugt zelfs ijver niet' (Spr. 19:2).

`Hoelang zal ik plannen koesteren in mijn ziel?' (Ps. 13:3).

`Wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel' (Ps. 139:14).

`Zo vaak mijn ziel dit gedenkt, buigt zij zich neder in mij' (Kl. 3:20).

`Bewaar overleg en bedachtzaamheid, dan zullen zij het leven voor uw ziel zijn' (Spr. 3:21-22).

`Erken, dat de wijsheid zó is voor uw ziel' (Spr. 24:14).

 

Weten, overleggen, erkennen, gedenken enzovoorts, zijn stuk voor stuk activiteiten van het verstand, ofwel van het intellect van de mens.

 

De ziel omvat ook het gevoel:

 

De ziel kan liefhebben:

 

`Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel' (Dt. 6:5).

`Werd de ziel van Jonatan verknocht aan die van David; en Jonatan had hem lief als zichzelf' (1 S. 18:1).

`En gij zult dat geld besteden voor alles waarin uw ziel (Heb.) lust heeft' (Dt. 14:26).

`Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des Heren' (Ps. 84:3).

`Het verlangen van uw ziel' (Ez. 24:21).

`Zo smacht mijn ziel naar U, o God' (Ps. 42:2).

`Vertel mij toch, mijn zielsbeminde' (Hl. 1:7).

`Naar uw gedachtenis ging ons zielsverlangen uit' (Js. 26:8).

`Mijn geliefde, in wie mijn ziel een welbehagen heeft' (Mt. 12:18).

`Mijn ziel maakt groot de Here' (Lc. 1:46).

`En door uw eigen ziel zal een zwaard gaan' (Lc. 2:35).

 

Deze verzen openbaren een bepaalde functie van de ziel, namelijk het liefhebben. Het verlangen om lief te hebben, ontspringt aan de ziel. Menselijke liefde is dus een functie van de ziel.

 

De ziel kan haten:

 

`Dan gruwt zijn binnenste van brood, zijn ziel van begeerlijke spijze' (Job 33:20).

`Van lammen en blinden heeft David een hartgrondige afkeer' (2 S. 5:8).

`Want mijne ziel was over hen verdrietig geworden' Statenvertaling (Zach. 11:8).

`Mijn ziel heeft een afschuw van het leven' (Job 10:1).

`Hun ziel gruwde van elke spijze' (Ps. 107:18).

 

Deze verzen leren ons, dat haat een functie van de ziel is.

 

De ziel kan ook op andere manieren beïnvloed worden:

 

`Want de zielen van het gansche volk waren verbitterd' Statenvertaling (1 S. 30:6).

`Want haar ziel is bitter bedroefd' (2 K. 4:27).

`Toen werd zijne ziel verdrietig over den arbeid van Israël' Statenvertaling (Ri. 10:16).

`Hoelang nog zult gij mijn ziel grieven?' (Job 19:2).

`Mijn ziel juicht in mijn God' (Js. 61:10).

`Verheug de ziel van uw knecht' (Ps. 86:4).

‘Hun ziel versmachtte in hen' (Ps. 107:5).

`Hieraan wil ik denken en mijn ziel in mij uitstorten' (Ps. 42:5).

`Keer weder, mijn ziel, tot uw rust' (Ps. 116:7).

`Mijn ziel wordt verteerd van verlangen' (Ps. 119:20).

`Mijn ziel schreit van kommer' (Ps. 119:28).

`Zoet voor de ziel' (Spr. 16:24).

`En uw ziel zich in overvloed verlustige' (Js. 55:2).

`Toen mijn ziel in mij versmachtte' (Jon. 2:7).

`Mijn ziel is zeer bedroefd' (Mt. 26:38).

`Nu is mijn ziel ontroerd' (Joh. 12:27).

`Dag aan dag zijn rechtvaardige ziel gekweld' (2 Pe. 2:8).

 

Deze verzen laten ons zien, hoe de ziel wordt bewogen. Bewogen worden is een functie van de ziel.

 

Uit de bovenstaande verzen kunnen we de functies van het gevoel afleiden. Gevoelens van liefde, haat, bewogenheid, enzovoorts, ontspringen stuk voor stuk aan de ziel. Dit toont aan, dat ons gevoel ook deel uitmaakt van onze ziel.

 

Watchman Nee

The Spiritual Man, ch. 2

 

Wilt u meer van deze bediening lezen, ga dan naar de boeken van: Watchman Nee of Witness Lee.

 

Bent u op zoek naar contact of heeft u vragen, ga dan naar onze Contact pagina.