DE SLEUTEL TOT HET GEBED

Schriftlezing: Mt. 7:8; Js. 62:6-7

 

Het gebed is van groot belang in het geestelijke leven van een christen. Elke ware christen beseft dit en beoefent dan ook het gebed. Hoewel sommigen van Gods kinderen de tijd nemen om voor veel dingen te bidden, lijkt het wel of ze geen resultaat hebben. Het ziet ernaar uit dat ze nog steeds niet de juiste manier van bidden gevonden hebben. Dat komt doordat ze de sleutel nog niet ontdekt hebben.

 

In alles wat we doen, moeten we  eerst de sleutel ofwel het geheim hebben. Als we een kamer binnen willen gaan terwijl de deur op slot zit, is dat zonder sleutel uiteraard niet mogelijk. Stel dat we twee mensen nodig hebben om een tafel via de deur een kamer binnen te dragen. Sommigen kunnen dat zonder probleem, maar anderen doen het op een heel onhandige manier: ze stoten en botsen overal tegen aan, in vergeefse pogingen om hem door de deur te krijgen. De breedte van de tafel en de breedte van de deur zijn precies hetzelfde; het verschil zit hem dus in de personen die de tafel dragen. Sommigen hebben de sleutel – tot  het dragen van de tafel – wel en anderen niet. Mensen die de sleutel gevonden hebben doen alles goed; zij zijn bekwame werkers. Zodra iemand de sleutel heeft, kan hij alles twee keer zo snel doen als een ander, terwijl zij die de sleutel niet hebben tevergeefs werken. Hetzelfde principe geldt ook voor het gebed. Mattheüs 7 spreekt over een aantal principes met betrekking tot het gebed. Eén daarvan is "Wie zoekt, vindt." (v. 8). Zoeken vereist inspanning. Wie op een halfslachtige, gemakzuchtige manier zoekt, zal waarschijnlijk niets vinden. Zoeken vereist tevens geduld en doorzettingsvermogen en tenzij we grondig zoeken, zullen we niet vinden wat we zoeken. Wanneer God onze gebeden niet beantwoordt, moeten we niet alleen geduld oefenen, maar ook ijverig zoeken naar de sleutel tot het gebed. God heeft in het verleden de gebeden van vele gelovigen beantwoord, omdat ze de sleutel tot het gebed hadden.

 

Wanneer we de biografie van George Muller – de man die vele weeshuizen stichtte – erover nalezen, zien we dat hij een man van het gebed was. Gedurende zijn hele leven ontving hij antwoorden op zijn gebeden. George Müller had de sleutel ontdekt. Veel oprechte christenen bidden weliswaar lange omslachtige gebeden, maar toch ontvangen ze geen antwoord van God. Voor het gebed zijn woorden uiteraard van essentieel belang.

 

Maar onze woorden moeten wel de kern van de zaak raken – het moeten woorden zijn die het hart van God raken en wel op zodanige wijze dat Hij geen andere keus heeft dan onze verzoeken in te willigen. Woorden die ter zake zijn vormen dus de sleutel tot het gebed. Dit soort woorden zijn in overeenstemming met Gods wil; Hij heeft dan geen keus en moet die verzoeken dan wel inwilligen. Laten we nu de sleutel tot het gebed vinden door middel van enige voorbeelden uit de Schrift.

 

ABRAHAMS GEBED VOOR SODOM
(GENESIS 18:16-33)

 

Toen God aan Abraham bekend maakte dat Hij op het punt stond om Zijn vonnis over Sodom en Gomorra te voltrekken, bleef Abraham voor het aangezicht van God staan. Toen begon hij voor Sodom te bidden. Hij deed niet gewoon zijn mond open en zei: "O God, wees Sodom en Gomorra toch genadig!" Hij smeekte God ook niet heel intens: "O, geef toch dat Sodom en Gomorra niet vernietigd worden!" Abraham greep eenvoudig het feit aan dat God een rechtvaardig God is (Gn. 18:25); dat was de sleutel tot zijn gebed. Met grote nederigheid en ernst stelde hij God de ene vraag na de andere. Zijn vragen waren tevens zijn gebeden. Terwijl hij zo bad, stond hij onverwrikbaar op de grond van Gods rechtvaardigheid. Ten slotte zei hij: "De Here worde toch niet toornig, als ik nog eenmaal spreek; misschien worden er daar tien gevonden." (v. 32). Hierna vroeg hij niet verder. Nadat God hem had geantwoord, wordt ons gezegd dat "de Heer weg ging" (v. 33). Abraham probeerde God niet tegen te houden; hij ging daarom niet door met bidden. Hij ging terug naar zijn woonplaats. Sommigen menen dat Abraham God nog verder had moeten smeken en dat hij niet had moeten stoppen bij slechts tien mensen. De Schrift laat ons echter zien, dat Abraham niet alleen God kende, maar ook de sleutel tot het gebed. Hij hoorde de Heer zeggen: "Het geroep over Sodom en Gomorra is voorwaar groot, en haar zonde is voorwaar zeer zwaar... Het geroep over haar...is tot Mij gekomen (vs. 20,21). Als er zelfs niet eens tien rechtvaardige mensen in een stad gevonden kunnen worden, wat voor soort stad is het dan? De Heer heeft gerechtigheid lief en haat wetteloosheid (Heb. 1:9). Hij kan de zonde niet zomaar bedekken en afzien van het oordeel. De vernietiging van Sodom en Gomorra was het verschrikkelijke gevolg van hun zonde en het was tevens de manifestatie van Gods rechtvaardigheid. Toen Hij die twee steden omkeerde, deed Hij geen enkel rechtvaardig persoon onrecht aan; Hij "redde de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel van hun zedelozen" (2 Pe. 2:7). Omdat Abrahams gebed de kern raakte, werd het beantwoord. Er was in Gods handelen dus geen onrechtvaardigheid. Hij "doodde niet de rechtvaardige met de goddeloze" (Gn. 18:25). Wij prijzen en aanbidden Hem.

 

JOZUA'S ONDERZOEK NAAR HET FALEN BIJ AI
(JOZUA 7)

 

Toen het volk van Israël de stad Ai aanviel, "sloegen zij voor de mannen van Ai op de vlucht. Want de mannen van Ai versloegen van hen ongeveer zesendertig man; zij vervolgden hen buiten de poort tot aan de steengroeven en versloegen hen op de heffing. Toen versmolt het hart van het volk en het werd als water" ( Joz. 7:4, 5). Waarom leed het volk van Israël, na de geweldige overwinning op Jericho, zo'n smadelijke nederlaag tegen Ai? Het enige wat Jozua kon doen was zich voor God neerwerpen, God zoeken, op Hem wachten en Hem vragen naar de oorzaak van de nederlaag. Jozua was bedroefd vanwege het gevaar waarin het volk Israël zich nu bevond, maar hij was nog meer bedroefd over de smaad die op de naam van de Heer gekomen was; daarom vroeg hij: "Wat zult Gij dan voor uw grote naam doen?" Dat was de sleutel tot zijn gebed. Hij eerde de naam van de Heer. Zijn zorg was, wat God ter wille van de eer van Zijn eigen naam zou doen! Toen Jozua op dit punt kwam, sprak God. Hij zei: "Israël heeft gezondigd...Daarom kunnen de Israëlieten geen stand houden tegen hun vijanden...Ik zal voortaan niet meer met u zijn, indien gij niet de ban uit uw midden uitdelgt" (v. 11-12). God was bezorgd voor Zijn eigen naam en kon geen zonde toestaan onder Zijn volk. Hij hoorde Jozua’s gebed en gebood hem de zonde – die de oorzaak van de problemen was – aan het licht te brengen en uit de weg te ruimen. Nadat het Jozua duidelijk was geworden waarom Israël de nederlaag had geleden, stond hij 's morgens vroeg op om deze zaak weer in het reine te brengen. Zo ontdekte hij dat de zonde van Achans hebzucht de oorzaak was. Zodra Israël met deze zonde afgerekend had, veranderde hun nederlaag in overwinning. Wanneer iemands zonde wordt toegestaan en verborgen, wordt niet alleen Gods naam gelasterd, maar geeft dit satan tevens de gelegenheid Gods volk aan te vallen. Jozua deed niet gewoon zijn mond open om met blinde ijver bij God te pleiten voor de behoudenis en overwinning van Zijn volk. De smaad die op de grote naam van de Heer gekomen was bedroefde hem en zijn smeekbede herinnerde God eraan deze zaak weer op te nemen ter wille van Zijn naam. Zijn gebed raakte dus niet alleen de kern, maar ontlokte bovendien een antwoord aan God. Jozua moest eerst de oorzaak van de nederlaag vinden. Daarna moest hij de zonde aan het licht brengen en uit de weg ruimen, voordat de naam van Jehova de God van Israël opnieuw verheerlijkt kon worden.

 

DAVIDS ONDERZOEK NAAR DE DRIE JAAR DURENDE HONGERSNOOD
(2 SAMUËL 21:1-9, 14)

 

"Er was in de dagen van David een hongersnood gedurende drie jaren achtereen; en David zocht het aangezicht des Heren" (v. 1). David deed niet gewoon zijn mond open en zei: "O God, deze hongersnood heeft alweer drie jaar geduurd; we smeken U nu om genade. Neem deze hongersnood van ons weg en geef ons dit jaar een rijke oogst." Nee, David bad niet op deze manier. "David zocht het aangezicht van de Heer." Hij zocht naar de oorzaak van de hongersnood. Uiteindelijk raakte Davids zoeken de kern en vond hij de sleutel. God zei: "Op Saul en op zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft" (v. 1). Omdat God het verbreken van een belofte als een zonde ziet, moest David eerst met deze zonde afrekenen. Nadat hij dit gedaan had, zegt het Woord van God dat "God Zich ontfermde over het land" (v. 14). David bezat de sleutel tot het gebed – zijn gebed raakte de kern. Vandaar dat ook zijn gebed een antwoord aan God ontlokte.

 

DE GEBEDEN VAN DE HEER JEZUS
(JOHANNES 12: 27-28; MATTHEÜS 26: 39-46)

 

De gebeden van onze Heer waren altijd volmaakt en in hen lag altijd de sleutel tot het gebed besloten. Toen Hij weigerde de Grieken te spreken die Hem zochten, zei Hij: "Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen?" ( Joh. 12:27). Hij overdacht de zaak zorgvuldig en zei: "Wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure!" Nee, Hij wist dat Hij niet op die manier kon bidden. Hij besefte: "Maar hiertoe ben Ik in deze ure gekomen" (v. 27). Daarom bad Hij: "Vader, verheerlijk uw naam!" Dit gebed werd onmiddellijk beantwoord. "Toen kwam een stem uit de hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem nogmaals verheerlijken!" (v. 28). Als dit de manier is waarop de Zoon van God, als de Zoon des mensen, op aarde tot God bad, hoe durven wij dan zonder nadenken onze mond te openen en ondoordachte gebeden te bidden! Het is dus van het grootste belang dat wij de sleutel tot het gebed leren kennen.

 

Die nacht in de tuin van Getsemane was onze Heer Jezus uitermate bedroefd, zelfs tot stervens toe. Hoe bad Hij onder die omstandigheden? "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt" (Mt. 26:39). Hij bezat de sleutel tot het gebed. Hij had geen angst voor de dood en Hij had Zijn eigen vrije wil. Maar Hij wilde niet Zijn eigen wil volgen; Hij verlangde ernaar de wil van de Vader te volgen. Daarom bad Hij een tweede keer: "Mijn Vader, indien deze beker niet kan voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede!" (v. 42). Hij bad nog een derde keer, "opnieuw dezelfde woorden sprekende" (v. 44). Toen Hij volledige zekerheid had ten aanzien van de wil van de Vader, zei Hij tegen Zijn discipelen: "Zie, de ure is nabijgekomen...Staat op, laten wij gaan" (v. 45-46). Als onze Heer als een mens op aarde de sleutel tot het gebed had en Zichzelf verloochende teneinde de wil van de Vader te zoeken, hoe durven wij dan op goed geluk een paar woorden in gebed te spreken en dan te denken dat we Gods wil onderkend hebben!

 

HET GEBED VAN DE KANANESE VROUW
(Mattheüs 15: 22-28; MARCUS 7: 24-30)

 

Toen de Kananese vrouw in nood was, riep zij uit: "Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David!" (Mt. 15:22). Was haar gebed oprecht? Dat was ongetwijfeld het geval. Maar het verbazende is: "de Heer antwoordde haar geen woord." De discipelen droegen haar klaarblijkelijk een warm hart toe, want ze zeiden: "Zend haar weg, want zij roept ons na" (v. 23). Maar wat antwoordde de Heer hun? "Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls" (v. 24). Het antwoord van de Heer gaf deze vrouw de sleutel om Hem te benaderen. Ze zag dat de Zoon van David alleen met het huis van Israël te maken had en niet met andere volken. Daarom kwam zij en aanbad Hem, zeggende: "Here, help mij!" (v. 25). Ze noemde Hem "Heer", in plaats van "Zoon van David". Ze besefte dat alleen het huis van Israël het recht had die titel te gebruiken. Daarom zag ze van de verkeerde grond van haar gebed af en richtte ze haar gebed tot Hem als Heer. Dit gebed bracht Zijn antwoord: "Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen." (v. 26). Het antwoord lijkt zó hard te zijn dat het klinkt alsof de Heer deze vrouw afwees en in verlegenheid bracht. In werkelijkheid probeerde Hij haar te laten zien waar ze precies stond, zodat ze de betekenis van genade zou begrijpen. De vrouw zag niet alleen haar eigen positie, maar ze zag ook de Heer en Zijn genade. Toen greep ze de sleutel tot het gebed en antwoordde: "Zeker, Here, ook de honden eten immers van de kruimels, die van de tafel van hun meesters vallen." (v. 27). Dit bracht Jezus ertoe haar te prijzen en Hij zei tegen haar: "O, vrouw, groot is uw geloof" (v. 28). Ze had de sleutel tot het gebed gevonden en onmiddellijk had ze geloof. In Marcus 7 zei de Heer: "Om dit woord, ga heen, de boze geest is uit uw dochter gevaren" (v. 29). Haar gebed werd beantwoord "vanwege dit woord." Haar woorden hadden namelijk de sleutel tot het gebed geraakt. Dit is wat we moeten leren. Vaak bidden we wel, maar ons gebed lijkt als een steen in de oceaan te vallen; het verdwijnt eenvoudig zonder een antwoord van God. We hebben dan niet de juiste sleutel gevonden om de deur te openen; maar we proberen ook niet de reden te vinden waarom God ons gebed niet heeft verhoord. Broeders en zusters, hoe kunnen we verwachten dat God zulke domme gebeden beantwoordt? In al onze gebeden moeten we eerst de sleutel vinden; alleen wanneer we dat doen kunnen we verwachten dat God onze gebeden voortdurend beantwoordt.

 

Nu we deze voorbeelden ten aanzien van het gebed bekeken hebben, moeten we niet vergeten om acht te slaan op onze innerlijke stem en dus niet op onze omstandigheden, gedachten of gevoelens. Wanneer die kleine innerlijke stem ons zegt dat we moeten bidden; wanneer we in het diepst van ons wezen het gevoel krijgen dat het tijd is om te bidden, dan moeten we ook onmiddellijk beginnen te bidden. Omstandigheden moeten alleen als middel dienen om ons in de aanwezigheid van God te brengen en daar op Hem te wachten. Zij mogen ons dus niet beheersen of belemmeren in het gebed. Ons verstand moet alleen als middel dienen om onze innerlijke gevoelens te ordenen en onder woorden te brengen. Ons verstand moet dus niet de bron van het gebed zijn. Het gebed is namelijk een uiting van de innerlijke gevoelens die door middel van ons verstand tot uitdrukking komen. Bidden volgens de wil van God is alleen mogelijk wanneer we ook daadwerkelijk in harmonie zijn met Zijn wil. Want bidden is geen poging om God te dwingen aan onze gevoelens tegemoet te komen. Tenzij onze gevoelens onder handen genomen worden, is bidden voor ons onmogelijk, omdat onze gebeden dan geen bevrijding ervaren. Zodra we ons door onze gevoelens laten leiden, bidden we namelijk op een natuurlijke manier, volgens onze persoonlijke verlangens. Bidden volgens de innerlijke leiding is dan vrijwel uitgesloten. Daarom is het zo noodzakelijk dat we de sleutel tot het gebed vinden. Als we bemerken dat ons gebed ontoereikend, zonder resultaat en zonder vrucht is, moeten we de Heer om licht bidden inzake de oorzaak hiervan. Wanneer we de Heer op deze manier zoeken, zullen we op een gegeven ogenblik gewaarworden dat we een doorbraak bereikt hebben. Dan "klikt" er iets vanbinnen en een kleine zachte stem vertelt ons: "Dit is het!" We hebben dan de sleutel tot het gebed gevonden. Als we deze sleutel gebruiken en verder bidden, kunnen we er zeker van zijn dat God ons gebed zal beantwoorden.

 

Jesaja 62:6 zegt: "Op uw muren, o Jeruzalem, heb ik wachters aangesteld, die de ganse dag en de ganse nacht nimmer zullen zwijgen."

 

Deze wachters zijn mannen van het gebed. Zij staan onvermoeibaar op wacht om te zien of er iets gebeurt en slaan dan onmiddellijk alarm wanneer dit inderdaad zo is. Een man van het gebed moet daarom voortdurend de Heer zoeken. Dit is niet het werk van slechts één enkel persoon, er moet een hele groep mannen aan te pas komen, die op deze manier bidt. Er staat: "....die de ganse dag en ganse nacht nimmer zullen zwijgen." Dit zijn groepen die met elkaar de wacht houden, met elkaar dingen ontdekken en met elkaar onophoudelijk tot God bidden. Hun gebeden houden niet op "totdat Hij Jeruzalem grondvest en het stelt tot een lof op aarde" (v. 7). We moeten dus volharden in het gebed, totdat het Lichaam van Christus opgebouwd is. God heeft onze gebeden nodig. Hij wil dat we zowel een geest als een instelling van het gebed hebben. Verder wil Hij ook dat we de sleutel tot het gebed zullen vinden. Broeders en zusters, laten we opstaan en leren bidden. Laten we de sleutel tot het gebed zoeken, zodat we in Gods behoefte kunnen voorzien.

 

Watchman Nee

The Key to Prayer