Gods Plan

 

En God zeide: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt' (Gn. 1:26-28).

 

GODS VOORNEMEN MET BETREKKING TOT DE SCHEPPING VAN DE MENS

 

Gods schepping van de mens was een zeer speciale schepping. Voordat God de mens schiep zei Hij: 'Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. Dit was Gods plan niet betrekking tot de schepping van de mens. 'God zeide: Laat Ons …’ Dit openbaart de soort mens waar God naar verlangde. Met andere woorden, God ontwierp eerst een 'model' voor de mens die Hij wilde scheppen. Vers 27 openbaart Gods schepping van de mens: 'En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. Vers 28 zegt: 'En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.

 

Deze verzen tonen ons de mens waar God naar verlangde. God wilde een mens die kon heersen over de gehele aarde; alleen dan zou Hij tevreden zijn.

 

Hoe heeft God de mens geschapen? Hij schiep de mens naar Zijn eigen beeld. God verlangde naar een mens die precies zo zou zijn als Hij. Het is zo klaar als de dag, dat de positie van de mens in Gods schepping volkomen uniek is, omdat alleen de mens — onder al Gods schepselen — naar Gods beeld geschapen was. De mens naar Gods hart was heel anders dan alle andere schepselen; hij was een mens die naar Zijn eigen beeld geschapen was.

 

Verder zien we in dit vers iets heel opmerkelijks. Vers 26 zegt: laat Ons mensen maken naar ons beeld als onze gelijkenis. . .'; maar vers 27 zegt: `En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen' In vers 26 staat het voornaamwoord `Ons' in het meervoud, maar in vers 27 staat 'zijn' in het enkelvoud. Tijdens deze 'conferentie' van de Godheid zegt Hij: 'Laat ons mensen maken naar ons beeld'; volgens de grammatica zou vers 27 moeten zeggen: 'En schiep de mens naar Hun beeld'. Maar vreemd genoeg zegt vers 27: 'En God schiep de mens naar Zijn beeld'. Hoe kunnen we dit verklaren? Het is omdat de Godheid uit drie [personen] bestaat —de Vader, de Zoon, en de Geest — maar slechts één van hen heeft het beeld, namelijk de Zoon. Toen de Godheid de schepping van de mens plande, gaf de Bijbel aan dat de mens 'naar Ons beeld' gemaakt zou worden (er staat 'Ons beeld, omdat zij één zijn); maar toen de Godheid de mens schiep, zei de Bijbel dat de mens naar Zijn beeld geschapen werd. `Zijn' verwijst naar de Zoon. Hieruit kunnen we afleiden, dat Adam naar het beeld van de Heer Jezus geschapen werd. Adam kwam dus niet vóór de Heer Jezus; de Heer Jezus was vóór hem. Toen God Adam schiep, schiep Hij hem naar het beeld van de Heer Jezus. Om deze reden staat er 'naar Zijn beeld', en niet naar Hun beeld.

 

Het is Gods bedoeling om een groep mensen te verwerven, die op Zijn Zoon lijken. In Romeinen 8:29 zien we Gods voornemen: 'Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen'. Het is Gods verlangen vele zonen te hebben, en Hij wil dat deze zonen stuk voor stuk op Zijn Zoon lijken. Dan is Zijn Zoon niet langer de eniggeborene, maar de eerstgeborene onder vele broederen. Het is dus Gods verlangen zo'n groep mensen te verwerven. Als we dat zien, zullen we beseffen hoe waardevol de mens eigenlijk is. Dan zal het zo zijn, dat, elke keer dat de mens ter sprake komt, we ons zullen verheugen. Gods waardering voor de mens is ongeëvenaard! Daarom werd Hij Zelf ook een mens! God wil de mens voor Zichzelf winnen. Zodra God de mens voor Zichzelf heeft gewonnen, is Zijn plan volbracht.

 

Het is de mens die Gods voornemen vervult, en door middel van de mens voorziet Hij in Zijn eigen behoefte. Wat verlangt God eigenlijk van de mens die Hij heeft geschapen? Hij wil dat deze mens zal heersen. Toen God de mens schiep, had Hij hem niet voorbestemd om te vallen. De val van de mens gebeurde in hoofdstuk drie van Genesis, niet in hoofdstuk een. Toen God Zich had voorgenomen om de mens te scheppen, lag het niet in Zijn bedoeling dat de mens in zonde zou vallen; verder was ook de verlossing geen deel van Zijn voorbeschikking. Daarmee bagatelliseren wij de belangrijkheid van de verlossing niet; we zeggen alleen dat de verlossing niet voorbeschikt was. Als dit wel zo geweest zou zijn, dan had de mens eenvoudig moeten zondigen — God had dat echter niet voorbeschikt. Volgens God plan, met betrekking tot de schepping van de mens, was de mens voorbestemd om te heersen. Dit wordt ons geopenbaard in Genesis 1:26. In dat vers onthult God Zijn verlangen, en vertelt Hij ons het geheim van Zijn plan: 'Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.

 

Sommigen vragen zich wellicht af, waarom God zo'n plan had. De reden was, dat een engel des lichts tegen God in opstand gekomen was, vóór de schepping van de mens — zo werd deze engel des lichts de duivel. Satan zondigde en viel; de morgenster werd Gods vijand (Js. 14:12-15). Toen ontnam God hem alle gezag, en gaf dit vervolgens aan de mens. De reden waarom God de mens schiep, was dan ook, dat de mens zou heersen in plaats van satan. Wat is de schepping van de mens dan een overvloedige genade!

 

God wil niet alleen dat de mens heerst; Hij geeft de mens bovendien een bepaald gebied om over te heersen. We kunnen dit in Genesis 1:26 zien: 'Opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde. . .’ ‘Over de gehele aarde' is het domein van zijn heerschappij. God gaf de mens niet alleen heerschappij over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het vee, maar Hij wilde bovendien dat de mens 'over de gehele aarde' zou heersen. De aarde is het door God aangewezen bereik voor de heerschappij van de mens. De mens en de aarde staan dus nauw met elkaar in verband. Gods aandacht richtte zich niet alleen op de aarde toen Hij Zijn plan bedacht om de mens te scheppen. Ook na zijn schepping, kreeg de mens duidelijk te horen dat hij over de aarde moest heersen. De verzen 27 en 28 zeggen: 'En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde, en onderwerpt haar …' God legde hier de nadruk op het feit, dat de mens de aarde moest `vervullen' en 'onderwerpen'. Dat de mens over de vissen der zee, over het gevogelte des hemels en over al het gedierte moest heersen, was van onder geschikt belang. De heerschappij van de mens over deze dingen was een bijkomstigheid; het belangrijkste was, dat hij over de aarde zou heersen.

 

De aarde is het middelpunt van alle problemen. God Zelf wedijvert voor de aarde. De Heer Jezus leerde ons bidden: `Uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde (Mt. 6:9-10). Volgens de grondtekst heeft de uitdrukking 'gelijk in de hemel alzo ook op de aarde' betrekking op elk van deze drie zinnen afzonderlijk, en niet alleen op de laatste zin. Volgens de oorspronkelijke betekenis staat er dus: 'Uw naam worde geheiligd, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde; uw Koninkrijk kome, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Dit gebed openbaart, dat niet de hemel, maar de aarde het probleem is. Na de val van de mens, zei God tegen de slang: 'Op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft' (Gn. 3:14). Dit betekent dat de aarde zijn domein werd, de plaats waar hij rond moest kruipen. Het domein van satans werk is dus niet de hemel, maar de aarde. Voor de komst van het koninkrijk van God moet satan uitgeworpen worden. De uitvoering van Gods wil, en de heiliging van Zijn naam moeten vooral op de aarde plaatsvinden. Alle problemen spelen zich af op de aarde.

 

De woorden die in Genesis gebruikt worden, zijn vol betekenis. Het woord `onderwerpen' in Genesis 1:28 kan ook vertaald worden met 'overwinnen'. Terwijl het woord 'bewaren' in Genesis 2:15, met 'bewaken' vertaald kan worden. Deze verzen laten ons duidelijk zien, dat God de mens had voorbestemd, om de aarde te overwinnen en te bewaken. Het lag in Gods oorspronkelijke bedoeling, om de aarde aan de mens te geven als zijn woonplaats. Het lag dus allerminst in Zijn bedoeling, dat de aarde woest en ledig zou worden (Js. 45:18). Door middel van de mens wilde God satan ervan weerhouden om de aarde in bezit te nemen. Want het probleem was, dat satan de aarde wilde verwoesten. Daarom wilde God dat de mens de aarde zou bevrijden uit satans hand.

 

Sommigen vragen zich wellicht af: waarom gooit God satan Zelf niet in de afgrond, of in de poel van vuur? Ons antwoord is: God zou het wel kunnen, maar Hij wil het niet doen. We weten niet precies waarom Hij het Zelf niet wil doen, maar we weten wel hoe Hij het zal doen. God wil de mens gebruiken om met Zijn vijand af te rekenen — dit is de reden waarom Hij de mens geschapen heeft. God wil met een schepsel afrekenen door middel van een ander schepsel. Hij wil, dat het schepsel de mens, afrekent met het gevallen schepsel satan , om de aarde zodoende voor God terug te winnen. De mens die God schiep, wordt door Hem gebruikt voor dit doel.

 

Laten we Genesis 1:26 nu nog eens lezen: 'En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde ...’ Het lijkt wel alsof de zin hier eindigt, maar dan wordt er nog iets aan toegevoegd: `… en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt'. Hieruit kunnen we opmaken, dat het kruipend gedierte een zeer belangrijke positie inneemt, omdat God het zei, nadat Hij 'de gehele aarde' al genoemd had. De implicatie is, dat, als de mens over de aarde moet heersen, hij het kruipende gedierte niet moet vergeten, want het kruipende gedierte is de belichaming van Gods vijand. De slang in Genesis 3 en de schorpioenen in Lucas 10 behoren tot het kruipende gedierte. Er is dus niet alleen sprake van de slang, die de satan vertegenwoordigt, maar ook van de schorpioenen, die de zondige en onreine boze geesten vertegenwoordigen. Het domein van zowel de slang als de schorpioenen is de aarde. Het probleem bevindt zich dus op aarde. Daarom is het noodzakelijk dat we onderscheid maken tussen het werk voor de behoudenis van zielen, en het werk van God. Vaak is het werk voor de behoudenis van zielen, niet het werk van God. De behoudenis van de ziel lost weliswaar het probleem van de mens op, maar het werk van God vereist, dat de mens gezag uitoefent, om over Zijn schepping te heersen. God wil dat er gezag uitgeoefend wordt over Zijn hele schepping, en daartoe heeft Hij de mens uitgekozen. Als wij hier slechts als gewone mensen zouden zijn, die zich uitsluitend om zichzelf bekommeren, dan zouden onze verlangens en ons zoeken gericht zijn op een diepere liefde voor de Heer, op een diepere heiliging, een groter enthousiasme, en op het redden van meer zielen. Al deze bezigheden zijn weliswaar zeer goed, maar ze zijn te zeer gericht op de mens. Alleen de mens vindt baat bij deze dingen — Gods werk en Gods behoefte worden volkomen veronachtzaamd. We moeten niet vergeten dat God ook een behoefte heeft. Wij zijn op aarde, niet zozeer voor de behoefte van de mens, als wel voor Gods behoefte. Dank God, dat Hij ons de bediening der verzoening heeft toevertrouwd. Maar zelfs al redden wij alle zielen op aarde, dan nog hebben wij Gods werk niet volbracht, of aan Zijn eisen voldaan. Er bestaat namelijk zoiets als Gods werk, Gods behoefte. Toen God de mens schiep, maakte Hij Zijn behoefte kenbaar. Hij openbaarde Zijn verlangen om de mens de heerschappij over heel Zijn schepping te geven, en om hem Zijn overwinning te laten proclameren. Heerschappij voeren voor God is geen kleinigheid; het is iets geweldigs! God heeft mensen nodig die Hij kan vertrouwen en die Hem niet in de steek laten. Dit is Gods werk, en dit is waar God naar verlangt.

 

Het ligt niet in onze bedoeling, om het werk van evangelisatie te kleineren, maar als ons werk alleen daaruit bestaat, dan zullen we nooit satans ondergang teweegbrengen. Als de mens niet bij machte is om de aarde uit satans hand te rukken, dan heeft hij nog niet het doel bereikt waarvoor God hem heeft geschapen. Het redden van zielen is vaak uitsluitend ten behoeve van de mens, maar het afrekenen met satan is geheel en al ten behoeve van God. Het redden van zielen voorziet in de behoefte van de mens, maar het afrekenen met satan, voorziet in Gods behoefte.

 

Broeders en zusters, er hangt wel een prijskaartje aan. We weten al wat de demonen zeggen. Een demon zei eens: `Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij?' (Hnd. 19:15). Wanneer een demon ons ontmoet, zal hij dan vluchten of niet? Aan het prediken van het evangelie hangt inderdaad een prijskaartje, maar de kosten liggen veel hoger voor het afrekenen met satan.

 

Dit is niet slechts een zaak van een boodschap of een leerstelling. Dit heeft oefening nodig. En de prijs is zeer hoog. Als wij mensen zijn, die door God gebruikt willen worden om satans werk en gezag ten val te brengen, dan moeten wij Hem absoluut en volkomen gehoorzamen! Als we ander werk uitvoeren, dan maakt het niet uit of we ons zelf ontzien of niet, maar wanneer we met satan willen afrekenen, dan kunnen we ons zelf geen ogenblik de vrije hand laten. We kunnen ons zelf ontzien wanneer we de Schrift bestuderen, wanneer we het evangelie prediken, en wanneer we de broeders of de gemeente helpen, maar wanneer we met satan te doen hebben, moet het zelf volkomen verloochend worden. Satan zal zich nooit gewonnen geven als wij ons zelf ontzien. Dat God ons de ogen mag openen, om te zien dat Zijn voornemen van ons verlangt dat wij absoluut voor Hem zijn. Iemand die een dubbele standaard heeft zal nooit met satan af kunnen rekenen. God geve, dat wij deze woorden ter harte mogen nemen.

 

HET ONVERANDERLIJKE VOORNEMEN VAN GOD

 

Gods oorspronkelijke voornemen was, dat de mens zou heersen — in het bijzonder over de aarde — maar de mens faalde. Toch was het niet zo dat alles verloren was, vanwege de val van de eerste mens. Wat God niet van de eerste mens, Adam, verkreeg, zal Hij van de tweede mens, Christus, ontvangen. De veelbesproken geboorte te Bethlehem vond plaats, omdat God de mens had voorbestemd om te heersen, en de aarde voor God terug te winnen, maar ook omdat God had voorgenomen om het schepsel dat 'mens' heet, het schepsel dat 'satan' heet te laten vernietigen. Dit is de reden waarom de Heer Jezus een mens werd.

 

Dit was geheel volgens Zijn voornemen —Hij werd een echte mens. De eerste mens was niet in staat om Gods voornemen te vervullen; integendeel, hij zondigde en viel. Niet alleen was hij niet in staat om de aarde terug te winnen, hij werd bovendien door satan gevangengenomen. Niet alleen was hij niet in staat om te heersen, hij werd zelfs onder de heerschappij van satan gebracht. Genesis 2 zegt dat de mens uit het stof der aarde gemaakt werd, terwijl Genesis 3 laat zien dat stof het voedsel van de slang was. Dit betekent, dat de gevallen mens het voedsel van satan werd. De mens kon nu niet langer met satan afrekenen; hij was verloren. Wat moest er nu gebeuren? Betekende dit, dat God Zijn eeuwige voornemen nooit meer zou kunnen vervullen, dat Hij niet meer zou kunnen verkrijgen wat Hij wilde? Betekende dit, dat de aarde nooit meer voor God teruggewonnen zou kunnen worden? Nee! Hij zond immers Zijn Zoon om een mens te worden. De Heer Jezus is werkelijk God, maar Hij is ook net zo werkelijk een mens.

 

Er is tenminste één mens op aarde die God kiest, en die kan zeggen: 'Want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets' (Joh. 14:30 Herziene Voorhoeve Uitgave). Met andere woorden, in de Heer Jezus bevond zich niet eens een spoor van de overste dezer wereld. We moeten niet vergeten, dat de Heer Jezus niet naar deze aarde kwam, om God te zijn, maar om een mens te zijn. God verlangde naar een mens. Voor God, om Zelf met satan af te rekenen, zou zeer gemakkelijk zijn; satan zou in een oogwenk verslagen zijn. Maar God wil het niet Zelf doen. Hij wil dat de mens met satan afrekent; Hij heeft Zich voorgenomen, dat de schepping met de schepping afrekent. Toen de Heer Jezus een mens was, werd Hij ook als een mens in verleiding gebracht. Zo ervaarde Hij heel veel dingen als een mens. Deze mens heeft overwonnen; deze mens is ten hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand van God. Jezus is met 'heerlijkheid en eer gekroond'. Hij is verheerlijkt.

 

Hij kwam dus niet, om verheerlijkt te worden als God, maar als een mens. Daarmee bedoelen we niet, dat Hij Gods heerlijkheid niet bezat, maar de heerlijkheid waar Hebreeën 2 het over heeft, verwijst niet naar de heerlijkheid van God. Die heerlijkheid verwijst naar de heerlijkheid van Jezus die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods. Jezus werd met eer en heerlijkheid gekroond. Onze Heer is ten hemel gevaren als een mens. Vandaag is Hij in de hemel als een mens. Een mens is nu gezeten aan de rechterhand van God. In de toekomst zullen daar nog veel meer mensen zijn. Vandaag zit er een mens op de troon. Op een dag zullen er vele mensen op de troon zitten. Dat is zeker.

 

Toen de Heer Jezus opstond, deelde Hij Zijn leven in ons uit. Wanneer we in Hem geloven, ontvangen we Zijn leven. Zo worden we zonen Gods, en als zodanig behoren wij Hem toe. Omdat wij mensen zijn die Gods leven bezitten, kan Hij Zijn voornemen door ons laten volbrengen. Daarom staat er geschreven, dat Hij vele zonen tot heerlijkheid zal leiden. Heersen betekent verheerlijkt worden, en verheerlijkt worden betekent heersen. Wanneer de vele zonen het gezag ontvangen, en de aarde teruggewonnen hebben, dan zullen zij op triomfantelijke wijze in de heerlijkheid gebracht worden.

 

We moeten nooit zonder meer aannemen, dat het Gods bedoeling is, om ons van de hel te redden, zodat wij van de hemelse zegeningen kunnen genieten. We moeten namelijk niet vergeten, dat het Gods bedoeling is voor de mens, om Zijn Zoon te volgen in de uitoefening van Zijn gezag op aarde. God wil iets ten uitvoer brengen, maar Hij wil dit niet alleen doen; Hij wil dat wij het doen. Zodra deze opdracht is volbracht, heeft God Zijn doel bereikt. God verlangt naar een groep van mensen, die Zijn werk op deze aarde ten uitvoer brengt, zodat Hij — door middel van de mens — op aarde kan heersen.

 

DE VERHOUDING TUSSEN DE VERLOSSING EN DE SCHEPPING

 

Nu zullen we onze aandacht concentreren op de verhouding tussen de verlossing en de schepping. We moeten niet denken, dat de Bijbel uitsluitend over de verlossing spreekt. We danken God, dat er behalve over de verlossing, ook nog over de schepping gesproken wordt. De schepping openbaart namelijk het verlangen van Gods hart. Gods voornemen, Gods plan, en Gods vooraf vastgelegde wil, worden stuk voor stuk bekend gemaakt door Zijn schepping. De schepping openbaart Gods eeuwige voornemen; zij laat ons duidelijk zien wat Hij eigenlijk wil. De positie van de verlossing kan nooit hoger zijn, dan de positie van de schepping. Wat is verlossing? Verlossing herstelt datgene wat God niet door middel van de schepping kon verkrijgen. Verlossing brengt ons dus niets nieuws; verlossing herstelt alleen datgene wat al van ons is. Door middel van de verlossing, volbrengt God het plan dat Hij Zich ten tijde van de schepping had voorgenomen. Verlossing betekent dus herstel en teruggave, terwijl schepping bepaling en initiatief betekent. Verlossing is iets wat later komt, zodat Gods doel met de schepping vervuld mag worden. 0, dat de kinderen van de Heer de schepping niet zullen verachten, terwijl ze denken dat de verlossing alles is. Verlossing heeft met ons te maken; wij zijn erbij gebaat, omdat zij ons redt en ons het eeuwige leven schenkt. Maar de schepping heeft met God en Gods werk te maken. Onze verhouding met de verlossing is ten behoeve van de mens, terwijl onze verhouding met de schepping ten behoeve van Gods economie is. Dat God iets nieuws mag doen op deze aarde, zodat de mens niet alleen het evangelie zal benadrukken, maar zich tevens zal bekommeren om Gods werk, Gods zaken, en Gods plan. In feite, zou het evangelie gepredikt moeten worden met het doel, om de aarde voor God terug te winnen. Wij moeten de overwinning van Christus over het koninkrijk van satan tentoonspreiden. De zaak ligt uiteraard anders als wij geen christenen zijn. Maar als wij christenen zijn, dan moeten we niet alleen het voordeel van de verlossing ontvangen, zonder dat we Gods doel ten aanzien van de schepping bereiken. Zonder de verlossing zouden we nooit aan God toebehoren. Maar zodra we gered zijn, moeten we onszelf aan God geven, om het doel te bereiken waarvoor Hij de mens in de eerste plaats geschapen had. Als we onze aandacht uitsluitend op het evangelie richten, dan is dat niet voldoende. God verlangt namelijk van de mens, dat hij voor Hem zal heersen op aarde, en dat hij satan van deze aarde zal verdrijven. Dit verlangt God dus ook van de gemeente. Hebreeën 2 toont aan, dat de verlossing niet alleen voor de vergeving van zonden, en de redding van de mens is, maar veeleer om de mens terug te brengen tot het oorspronkelijke doel ten aanzien van de schepping.

 

De verlossing is vergelijkbaar met de vallei, die zich tussen twee bergtoppen bevindt. Als je van de ene bergtop afdaalt, en de andere begint te beklimmen, dan bevindt de verlossing zich ergens in de vallei. Verlossing betekent namelijk, het voorkomen dat de mens verder valt, door hem te ondersteunen. Enerzijds is Gods wil eeuwig en zonder omwegen. Maar anderzijds is er iets gebeurd. De mens is gevallen, en van God afgedwaald. De afstand tussen hem en Gods eeuwige voornemen is steeds groter geworden. Gods wil is van eeuwigheid tot eeuwigheid, en is een rechte lijn, maar vanaf het ogenblik dat de mens viel, was hij niet meer bij machte om die wil te volbrengen. Dank de Heer, dat er een oplossing voor is—de verlossing. Toen de verlossing kwam, hoefde de mens niet verder af te dalen. Na de verlossing ervaart de mens een verandering, en kan hij met de bestijging van de berg beginnen. Terwijl hij zo klimt, zal hij op een gegeven ogenblik weer op de rechte lijn terechtkomen. Op de dag dat hij die rechte lijn bereikt, zal het koninkrijk komen.

 

Wij danken God, dat we verlost zijn. Zonder de verlossing zouden we steeds dieper vallen; bovendien zouden we steeds meer door satan onderdrukt worden, totdat er geen weg terug is. Prijs de Heer, de verlossing heeft ons teruggebracht tot Gods eeuwige voornemen. Wat God niet kon verkrijgen door de schepping, en wat de mens had verloren door de val, wordt volledig teruggewonnen door de verlossing.

 

We moeten God vragen onze ogen te openen, om te zien wat Hij heeft gedaan, zodat ons leven en werk een ware ommekeer mogen ervaren. Als ons werk uitsluitend bestaat uit het redden van anderen, dan hebben we nog steeds gefaald, en dan kunnen we Gods hart niet tevredenstellen. Zowel de verlossing als de schepping is voor de verwerving van heerlijkheid, en voor de omverwerping van de macht van de duivel. Wanneer we de zonde en de val van de mens zien, moeten we niet alleen de liefde, maar ook het gezag van God verkondigen. Maar tegelijkertijd moeten we het geestelijke gezag uitoefenen, om de macht van satan omver te werpen. De opdracht van de gemeente is tweevoudig: om te getuigen van de redding van Christus, en om te getuigen van de overwinning van Christus. Enerzijds is het bestaan van de gemeente ten behoeve van de mens, en anderzijds bestaat de gemeente om satan een zware nederlaag toe te brengen.

 

Watchman Nee, The Glorious Church, ch. I

 

Wilt u meer van deze bediening lezen, ga dan naar de boeken van: Watchman Nee of Witness Lee.

 

Bent u op zoek naar contact of heeft u vragen, ga dan naar onze Contact pagina.