Gods roeping en Gods erfenis

Schriftlezing:
Ef. 1:3-23

 

God wil niet alleen dat we Hem kennen, Hij wil bovendien dat we Zijn roeping kennen. Hij wil dat we zowel onze roeping als Zijn erfenis in de heiligen kennen. Met andere woorden: God wil niet alleen dat we Hem kennen, maar Hij wil ook dat we weten wat Hij van eeuwigheid tot eeuwigheid ten uitvoer brengt. Hij verlangt ernaar dat we Zijn eeuwig plan en voornemen goed kennen.

 

Efeziërs spreekt over dingen die van eeuwigheid tot eeuwigheid duren. Hier wordt ons Gods eeuwige plan bekend gemaakt. In deze brief spreekt Paulus onder andere over Gods roeping, over Zijn erfenis in de heiligen en over Zijn kracht aan ons die geloven. Dit laat ons zien, dat wanneer iemand Gods eeuwige plan werkelijk doorgrondt en ziet wat God van eeuwigheid tot eeuwigheid ten uitvoer brengt, hij zal beseffen dat Gods eeuwig plan betrekking heeft op iedereen die geroepen is. Verder heeft het betrekking op de erfenis die God in de heiligen plaatste en op de kracht die Hij onder hen manifesteerde. Gods eeuwige plan is daarom onontbeerlijk en niet iets abstracts of onbelangrijks of iets wat we lichthartig terzijde kunnen schuiven. Gods eeuwige plan heeft alles met ons te maken. Wanneer we over Gods eeuwige plan spreken, moeten we niet denken dat dit ondoorgrondelijk of onbegrijpelijk is. Nee, Gods eeuwige plan heeft alles te maken met onze roeping, het heeft alles te maken met Gods erfenis en het heeft alles te maken met Gods kracht en haar werking in ons.

 

Laten we nu eerst Gods roeping en erfenis in overweging nemen. Wat later zullen we dan de kracht, die Hij aan de gelovigen openbaarde, in ogenschouw nemen.

 

Vers 18 zegt: "Verlichte ogen van uw hart, opdat u weet wat de hoop van Zijn roeping is" (Herziene Voorhoeve vertaling). Ik weet niet hoeveel christenen werkelijk weten dat ze een hoop voor zich hebben. Voor vele mensen is de hemel hun enige hoop. Dank de Heer dat er ook inderdaad een hemel is. Dit is een feit. Maar dit is niet het doel waartoe God ons geroepen heeft. En dit is ook niet de hoop van Zijn roeping. Wat is eigenlijk Zijn roeping? Vers 4 zegt: "Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde." Dit is Gods roeping. Gods roeping is dat we aan God gelijk zullen zijn. In positieve zin betekent dit dat we heilig zullen zijn en in negatieve zin betekent dit dat we smetteloos en onberispelijk zullen zijn. Wat een verheven roeping! Indien je nog nooit zwak bent geweest en je je nog nooit hebt gerealiseerd dat je fouten hebt begaan, zul je ook nooit beseffen hoe bijzonder deze roeping eigenlijk is. Indien je je ook maar klein beetje realiseert hoe zwak, onwaardig en onrechtvaardig je eigenlijk bent, zul je de kostbaarheid van deze roeping zeker waarderen. Dan zullen we zeggen: "Dank U Heer, dat U mij heeft geroepen om heilig en onberispelijk te zijn. U heeft mij geroepen om net zo smetteloos en volmaakt te zijn als U." Dank de Heer dat Hij op een dag het doel waarvoor God ons uitverkoren heeft met ons zal bereiken. Het maakt niet uit hoe zwak en onwaardig we vandaag zijn en het maakt ook niet uit hoeveel gebreken en tekortkomingen we vandaag hebben. Dank Hem, dat Hij ons op een dag heilig en onberispelijk voor Zichzelf zal plaatsen en dat we tenslotte aan Hem gelijk zullen zijn. Dit is de reden waarom God ons zowel uitverkoren als geroepen heeft. Aangezien Hij het zo bestemd heeft, zal Hij het zeker volbrengen. Nu kunnen we ons de hoop die we voor God hebben wellicht voorstellen. Onze hoop is dat we aan God gelijk zullen zijn. Daartoe heeft God ons uitverkoren en geroepen.

 

Vervolgens zullen we Gods erfenis in de heiligen in overweging nemen. Vers 18 zegt: "Verlichte ogen van uw hart, opdat u weet ... wat de rijkdom is van de heerlijkheid van zijn erfenis in de heiligen" (VoorhNT.). Wat is Gods erfenis in de heiligen? De heiligen zelf zijn Gods erfenis; zij zijn Gods eigendom. Dit vers zegt niet dat God de heiligen een erfenis heeft gegeven. Het zegt veeleer dat de heiligen zelf tot Gods erfenis zijn geworden. Paulus zei dat God een erfenis in de heiligen had. Zo'n erfenis is heerlijk. Een dergelijke erfenis omsluit de rijkdom van de heerlijkheid.

 

In Efeziërs 1:5 en 11 gebruikt Paulus het woord "voorbestemmen." Vers 5 zegt: "Terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot het zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil" (VoorhNT.) Dit geeft ons te kennen dat we tot het zoonschap voorbestemd werden. Vers 11 zegt: "In Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijnen wil" (Statenvertaling). Dit geeft ons te kennen dat wij voorbestemd werden om Zijn erfenis te zijn. Ofschoon de verzen 5 en 11 nauw met elkaar in verband staan, bestaat er tussen hen toch een klein verschil.

 

God heeft een eeuwig plan, dat zich uitstrekt van eeuwigheid tot eeuwigheid. Zijn plan omsluit het verkrijgen van vele zonen. Vele mensen beseffen eenvoudig niet hoe groot deze kwestie van zoonschap eigenlijk is. Maar wij moeten ons realiseren dat het Gods voornemen is om zonen te hebben. In Gods plan staat het verkrijgen van zonen centraal. Galaten 4:6 zegt: "En, dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba, Vader." Dit vers laat ons zien dat God de Geest van Zijn Zoon in ons heeft gegeven om ons tot Zijn zonen te maken. Hebreeën 2:10 zegt: "Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan... om vele zonen tot heerlijkheid te brengen." Dit geeft te kennen, dat, wanneer God Zijn doel eenmaal heeft bereikt, er vele zonen in de heerlijkheid zullen zijn. God brengt vele zonen in de heerlijkheid. Dit is Zijn voornemen. Zijn erfenis bestaat uit deze zonen. In Efeziërs 1 laat God ons aan de ene kant zien, dat Hij ons voorbestemd heeft om Zijn zonen te zijn (v. 5) en aan de andere kant, dat Hij ons voorbestemd heeft om Zijn erfenis te zijn (v. 11).

 

Wat is Gods erfenis? Gods erfenis is iets wat Hem toebehoort. God heeft ons niet alleen voorbestemd tot zoonschap, maar ook tot Zijn erfenis. Wij behoren allen aan God toe. Paulus bad dat de ogen van ons hart verlicht mochten worden, opdat wij de rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen zouden kennen. Op deze wijze hebben we deel aan Gods heerlijkheid en zo wordt God bovendien verheerlijkt. Dit is Gods verlangen. Hij heeft ons uitverkoren om Zijn volk, Zijn erfenis en Zijn zonen te zijn. Dat de Heer ons de ogen voor deze heerlijkheid mag openen!

 

We moeten niet alleen Hem kennen, maar ook Zijn werk, Zijn plan en Zijn voornemen. Om dergelijke kennis te vergaren, is een visioen onontbeerlijk. Zonder visioen blijft ons zicht begrensd in tijd en ruimte. Met betrekking tot geestelijke werken zijn we vaak belast met kleine projecten die ons worden toegewezen. We verheugen ons wanneer we goede resultaten boeken en zijn teleurgesteld wanneer de resultaten minder goed blijken te zijn. Onze visie is beperkt tot een kleine sfeer. Voor de grotere dingen van de Heer hebben we geen oog. We hebben alleen oog voor onbeduidende zaken. We gedragen ons net als een klein kind met een briefje van tien in de hand; hij is er helemaal kapot van. Het bankbiljet is zijn absolute eigendom. Vaak is onze visie net zo beperkt; we hebben geen oog voor de eeuwige dingen. We moeten ons realiseren dat Gods visie van eeuwigheid tot eeuwigheid reikt. Hij verlangt ernaar om ons de ogen te openen en ons van onze kleingeestigheid te bevrijden. De mens is te kleingeestig. Niet alleen wijzelf, maar ook de aan ons toevertrouwde werken, zijn te bekrompen. God wil ons uit deze bekrompen sfeer bevrijden. Hij wil ons de hoop van Zijn roeping en de rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen laten zien. Dit heeft niet slechts te maken met de behoefte van de mens, maar veeleer met Gods behoefte. Waarom prediken wij het evangelie? Wij prediken het evangelie, niet alleen omdat de mens er behoefte aan heeft, maar veeleer omdat God er behoefte aan heeft. Denk niet dat het evangelie der genade en het evangelie van het koninkrijk twee verschillende evangeliën zijn. Nee, het zijn niet twee verschillende evangeliën; het is één evangelie dat vanuit twee verschillende gezichtspunten werd geschreven. Aan de zijde van de mens is er sprake van het evangelie der genade. Aan Gods zijde is er sprake van het evangelie van het koninkrijk. Het is Gods verlangen om vele mensen bijeen te brengen die Zijn voornemen ten uitvoer zullen brengen. Om deze reden moeten we ons werk niet slechts vanuit het oogpunt van de mens beschouwen, maar veeleer vanuit Gods oogpunt. God verlangt naar een volk. Hij verlangt naar een groep van mensen die Hem zal verheerlijken. Zowel het prediken van het evangelie als het winnen van mensen heeft ten doel om in Gods behoefte te voorzien. Gods kinderen hebben daarom een visioen nodig – een visioen van de eeuwigheid. Een visioen zal zowel het werk als de zienswijze van ons christelijke leven veranderen. Wanneer we eenmaal een visioen zien, zullen we niet langer door onbeduidend werk in beslag genomen worden. We zullen ons dan ook niet langer vastklampen aan methoden en zienswijzen die tot het verleden behoren. En tenslotte zullen we ons dan niet langer bezorgd maken over onze verdiensten of tegenslagen.

 

Sommige broeders en zusters hebben van Gods plan en voornemen gehoord. Maar wanneer ze zich omkeren om te werken en het evangelie te prediken, zeggen ze: "Ik weet niet hoe ik mijn werk met Gods plan in verband kan brengen. Wanneer ik druk aan het werk ben en volledig door het werk in beslag genomen wordt, verlies ik alles, wat ik over Gods eeuwige plan en voornemen heb gehoord, uit het oog." Wat we horen, kan gemakkelijk vergeten worden, maar wat we zien vergeten we niet zo gauw. Leerstellingen komen gemakkelijk in het vergeetboekje terecht, maar een visioen vergeten we niet zomaar. De vraag doet zich dus voor of we werkelijk iets hebben gezien en of de ogen van ons hart werden geopend. Indien God de ogen van ons hart heeft geopend en we werkelijk Zijn roeping, Zijn erfenis, Zijn plan en Zijn voornemen zien, dan zullen wij spontaan beseffen dat al onze werken – groot en klein – met Gods plan in verband moeten staan. Indien zij geen betrekking hebben op Gods plan, kunnen ze niet als Gods werk beschouwd worden.

 

We hebben God nodig om onze ogen te openen en ons een visioen geven. Dit zal een grote bevrijding zijn; het zal ons van onszelf en onze bekrompen wereld bevrijden. We zullen ongetwijfeld bemerken dat zolang het werk van de eeuwigheid nog niet is volbracht, we geen rust kunnen vinden. Zolang Gods eeuwige plan onvoltooid is, zullen we onmogelijk tevreden kunnen zijn. De overtuiging van ons hart, de last op onze schouders en het werk dat we doen, zal niets minder zijn dan wat God ten uitvoer wil brengen. Dat de Heer ons genade mag schenken om trouw te blijven aan dit visioen. Het is te gemakkelijk om dit visioen uit het oog te verliezen – vooral wanneer het ons werk betreft. God verwacht niet dat we grote werken zullen verrichten. Maar het werk dat we doen moet wel plaatsvinden in dat grote bereik, moet zich verder aansluiten bij dat grote voornemen en moet tenslotte deel uitmaken van dat ene grote werk. Ik weet niet of ons levenswerk slechts bestaat uit het geringe dat we doen. Maar indien het geringe dat we doen met Gods wil overeenstemt, is het in feite een groot werk, omdat het dan zeker deel uitmaakt van het werk dat God van eeuwigheid tot eeuwigheid ten uitvoer brengt.

 

Watchman Nee