Het werk van Christus (2)

Schriftlezing:
Hand. 3:15; 5:30-31; Rom. 4:25; Hand. 13:33; Rom. 8:29; Joh. 12:24; 1 Pet. 1:3; Joh. 12:28; 13:31-32; 17:1; Luc. 24:26; 1 Kor. 15:45b; Joh. 20:22; Hand. 2:36; EL 1:22, 10; Hand. 2:33; 1 Kor. 12:13; Heb. 7:22; 8:6; 9:15-17; 4:15; 7:26; Opb. 1:13; 2:1; 1:5; 5:5-6

 

Er zijn vandaag de dag teveel christenen wier inzicht omtrent de opstanding en de hemelvaart van Christus niet alleen onvoldoende, maar zelfs onjuist is. Vanwege dit tekort, blijft ook hun ervaring van Christus in gebreke. Ofschoon er door de gelovigen van vandaag vaak over de dood van Christus gesproken wordt, spreken zij nauwelijks over Zijn opstanding en hemelvaart. Er zijn maar weinig christenen die iets van Christus' hemelvaart gezien hebben. Zij menen dat Christus vandaag de dag, in de hemel, op Zijn wederkomst wacht. Het Nieuwe Testament heeft ons echter zeer veel over Christus' huidige werk in de hemel te vertellen. In zekere zin doet Hij nu meer in de hemel, dan wat Hij destijds op aarde deed. Zij die de vier Evangeliën lezen, kunnen gemakkelijk zien, dat, terwijl Jezus op aarde wandelde, Hij vele dingen deed zoals bijvoorbeeld het doen van wonderen en het prediken van het evangelie. Maar wanneer zij Handelingen, de Brieven en Openbaring lezen, beseffen maar weinigen van hen wat Christus nu in de hemel ten uitvoer brengt. Christus brengt niet alleen vandaag de dag vele dingen ten uitvoer. Hij volbracht ook heel veel dingen vóór Zijn hemelvaart. Al deze belangrijke en wonderbaarlijke dingen, die Christus in Zijn opstanding en hemelvaart ten uitvoer bracht, moeten werkelijk een diepe indruk bij ons achterlaten.

 

ZIJN OPSTANDING
Als bewijs dat God Zijn allesomvattende verlossingswerk heeft aanvaard

 

Christus' opstanding was een sterk bewijs dat God Zijn allesomvattende verlossingswerk aanvaard had (Hand. 3:15). Nadat Christus Zijn werk op aarde volbracht had, stierf Hij vervolgens aan het kruis om Gods verlossing te volbrengen. Zijn verlossingswerk was een uitermate groot werk. Maar in de ogen van de Joden werd Christus door God verworpen. Zij konden eenvoudig niet geloven dat God één was met Christus en dat Hij alles wat Christus volbracht zonder meer accepteerde. Zij meenden dat Christus God niet alleen lasterde, maar bovendien tegenwerkte (Matt. 26:65). Zij verwierpen Hem, door Hem aan het kruis te nagelen en Hem vervolgens in een graf te leggen. Door Jezus te begraven dachten de Joden dat zij God een groot plezier deden. Maar tot hun grote verbazing, werd Hij door God uit de dood opgewekt. Zodoende maakte God de Joden kenbaar, dat Hij accepteerde wat zij verworpen hadden. Het leek wel alsof God zei: "Jullie Joden moeten goed begrijpen, dat, ofschoon jullie Christus verwierpen, doodden en in een graf legden, Ik – de God die jullie dienen – deze Mens uit de dood opgewekt heb." Dit wordt bevestigd door het woord in Handelingen 2:23-24. Zo'n opstanding was een sterk en overtuigend bewijs dat God alles wat Christus volbracht had, accepteerde, verzegelde en rechtvaardigde. De opstanding van Christus leverde het bewijs, dat God zich verheugde over alles wat Christus voltooid had.

 

Als rechtvaardiging van Zijn grote succes in al Zijn verrichtingen

 

De opstanding van Christus was een sterke rechtvaardiging van Zijn grote succes in alles wat Hij had volbracht (Hand. 5:30-31). Toen de Joden Christus ter dood brachten, meenden zij dat Hij volkomen verslagen was en dat Zijn dood dus een teken van Zijn onvermogen was. Maar na drie dagen verliet Christus Zijn graf. Zo was Zijn opstanding een sterke rechtvaardiging van Zijn grote succes. Er zijn veel mensen die grote dingen tot stand hebben gebracht. Maar hun succes eindigde altijd met hun dood. Maar ofschoon Jezus ter dood gebracht werd, heeft God Hem uit de dood opgewekt. Het feit dat God Christus uit de dood opwekte, was een rechtvaardiging van Zijn grote succes. Nog nooit – in de geschiedenis der mensheid – was er iemand zo succesvol als Christus. Hij behaalde Zijn succes door middel van Zijn opstanding. En Zijn succes zet zich ook vandaag nog op deze aarde voort. Confucius is gestorven, Mohammed is gestorven en Socrates is gestorven. Vele beroemde mensen zijn inmiddels gestorven en begraven. In de hele geschiedenis der mensheid was er slechts één uitzondering. Hij is de enige die ooit uit het graf stapte. Elke dag opnieuw werkt Hij, beweegt Hij, handelt Hij en motiveert Hij Zijn volk op deze aarde. Hij behaalde een groot succes en dit succes werd door Zijn opstanding bezegeld.

 

Als bewijs dat God de gelovigen heeft gerechtvaardigd

 

De opstanding van Christus was verder ook een bewijs dat God ons rechtvaardigde (Rom. 4:25). God moet ons vergeven, omdat Hij voor onze zonden aan het kruis gestorven is. Maar indien Christus nooit uit de dood was opgestaan, hoe hadden wij dan ooit kunnen weten dat God ons heeft vergeven en dat de dood van Christus Hem tevreden stelde? Christus' opstanding uit de dood was het bewijs dat Zijn dood God tevreden stelde. Christus werd uit de macht van de dood bevrijd, omdat Zijn dood God tevreden stelde. Romeinen 4:25 zegt: "Die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging." Het eerste gedeelte van dit vers duidt op Christus' dood aan het kruis voor onze zonden, terwijl het tweede gedeelte ons vertelt dat God Christus uit de macht van de dood bevrijdde, omdat Zijn dood voor onze zonden God tevreden stelde. Het feit dat Christus uit de dood stapte was een overtuigend bewijs dat God tevreden was met Zijn dood. Deze opgestane Christus is het "ontvangstbewijs" voor de volledige vereffening van onze schulden. God gaf ons dit "ontvangstbewijs" als bewijs dat al onze zonden nu vergeven zijn en dat Hij ons bovendien gerechtvaardigd heeft.

 

Om als de Eerstgeboren Zoon van God geboren te worden

 

Het Nieuwe Testament openbaart dat Christus in Zijn opstanding geboren werd als de eerstgeboren Zoon van God. Handelingen 13 vers 32 en 33 zeggen: "En wij verkondigen u de belofte, tot de vaderen gekomen, dat God deze heeft vervuld aan ons, hun kinderen, door Jezus te verwekken, zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat: ‘U bent mijn Zoon, heden heb ik U verwekt’. Verder verwijst Romeinen 8:29 naar Christus als Gods Zoon, de Eerstgeborene onder vele broeders. In deze twee verzen kunnen we zien dat Jezus op de dag van de opstanding door God werd verwekt om de eerstgeboren Zoon van God te zijn.

 

De vleeswording van Christus was uiteraard ook een geboorte. Maar door die geboorte werd Hij de Zoon des Mensen. Christus werd niet de Zoon van God door middel van de vleeswording. Hij was immers al de Zoon van God in de verleden eeuwigheid – ver voor Zijn vleeswording en Zijn opstanding. De Bijbel openbaart dat Christus, als de Zoon van God, eeuwig bestaat. God is Drie-enig – de Vader, de Zoon en de Geest – en alle Drie bestaan eeuwiglijk. God de Vader is eeuwig (Jes. 9:6), God de Zoon is eeuwig (Heb. 7:3) en God de Geest is eeuwig (Heb. 9:14).

 

Een eeuwig bestaan duidt op een bestaan zonder begin of einde. Sommige Bijbelgeleerden gebruiken een cirkel om de eeuwigheid aan te duiden. Een cirkel heeft ook geen begin of einde. Je kan niet zeggen dat een bepaald punt op de cirkel vóór of ná een ander punt komt. Zo zijn ook de Vader, de Zoon en de Geest allen eeuwig, zonder begin of einde. Hebreeën 7:3 vertelt ons dat de Zoon van God eeuwig bestaat, "zonder begin van dagen of einde des levens". De Bijbel openbaart niet dat de Vader vóór de Zoon bestond, dat de Zoon ná de Vader kwam, of dat de Geest ná de Zoon verscheen. De Bijbel vertelt ons veeleer dat alle Drie eeuwig bestaan.

 

Ofschoon de Zoon van God eeuwig bestaat, werd deze eeuwige Zoon van God, ongeveer tweeduizend jaar geleden, geboren als de Zoon des mensen. In Zijn vleeswording werd Hij uit Maria geboren. Door deze geboorte werd Hij de Zoon des mensen. Zijn vleeswording was dus Zijn eerste geboorte. Maar de Bijbel vertelt ons ook dat Christus een tweede geboorte had. Bij Zijn eerste geboorte werd Christus geboren als de Zoon des mensen. Maar bij Zijn tweede geboorte werd Hij geboren als de eerstgeboren Zoon van God. Enerzijds zegt Johannes 3:16: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft." Dit vers geeft aan dat Christus Gods enige Zoon was. Anderzijds zegt Romeinen 8:29: "...opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen." Heb je ooit weleens overwogen dat Christus de Zoon van God is op twee verschillende manieren? Volgens de eerste manier was Hij Gods eniggeboren Zoon en volgens de tweede manier is Hij de eerstgeboren Zoon onder vele zonen. Romeinen 8:29 zegt dat de gelovigen gelijkvormig gemaakt worden – niet aan het beeld van de eniggeboren Zoon – maar aan het beeld van Gods eerstgeboren Zoon.

 

Nu moeten we ons afvragen wat het verschil is tussen de eniggeboren Zoon en de eerstgeboren Zoon. Daarop zouden we direct kunnen antwoorden dat de eniggeboren Zoon geen broeders had, maar dat de eerstgeboren Zoon zelfs vele broeders had. Ofschoon dit inderdaad waar is, moeten we ons desondanks afvragen wat dan wel het verschil is in het wezen van de Zoon van God zelf. Het verschil tussen de eniggeboren Zoon van God in de verleden eeuwigheid en de eerstgeboren Zoon in opstanding is, dat Hij in de verleden eeuwigheid – in ieder geval vóór Zijn vleeswording – weliswaar de goddelijke, maar niet de menselijke natuur bezat. Maar door het proces van Zijn vleeswording heeft Hij de menselijkheid aangedaan. Hij leefde het menselijke leven, trad vervolgens de dood binnen en stond tenslotte ook weer uit de dood op. In opstanding bleef Hij uiteraard de Zoon van God volgens Zijn goddelijkheid. Maar nu was Hij anders – nu bezat Hij bovendien de menselijkheid, die Hij door middel van Zijn vleeswording aangedaan had. Vervolgens bracht Hij deze menselijkheid, die Hij in Zijn vleeswording aannam, in opstanding zodat zij aan het zoonschap deel kon hebben. Dit is de reden waarom Handelingen 13:33 zegt dat God – op de dag der opstanding – Christus als Zijn Zoon verwekte. Dit betekent dat Zijn menselijkheid in opstanding "verzoond" werd, dat wil zeggen, tot Gods Zoon gemaakt werd. Volgens Handelingen 13:33 was Zijn opstanding een geboorte. Deze geboorte maakte Hem niet slechts Gods eniggeboren Zoon met goddelijkheid, maar veeleer Gods eerstgeboren Zoon met zowel goddelijkheid als menselijkheid.

 

Nu is Christus dus Gods Zoon in twee opzichten: Hij is zowel Gods eniggeboren Zoon, als Gods eerstgeboren Zoon. Indien Hij slechts Gods eniggeboren Zoon gebleven was, dan zou Hij geen broeders gehad kunnen hebben. Indien Hij geen menselijkheid aangenomen had, dan zouden wij nooit Zijn broeders kunnen zijn. In de verleden eeuwigheid, als Gods eniggeboren Zoon, bezat Hij uitsluitend de goddelijke en niet de menselijke natuur. Maar in Zijn vleeswording nam Hij de menselijke natuur aan, die Hij vervolgens – via Zijn opstanding – met het zoonschap bekleedde. Op deze wijze werd Hij Gods eerstgeboren Zoon met zowel de goddelijke, als de menselijke natuur. Vervolgens kwam Hij, als de leven-gevende Geest, bij ons binnen, om ons eveneens tot Gods zonen te maken. Nu zijn we dus de vele zonen van God, die niet aan het beeld van Gods eniggeboren Zoon, maar aan het beeld van Zijn eerstgeboren Zoon gelijkvormig gemaakt worden. Nu heeft Christus, als Gods eerstgeboren Zoon, dus vele broeders. We moeten ons realiseren dat Zijn geboorte als de eerstgeboren Zoon van God een groot werk was, dat Christus door middel van Zijn opstanding volbracht. Ofschoon dit duidelijk door de Bijbel geleerd wordt, zijn er maar weinig christenen die dit werkelijk hebben gezien.

 

Op de dag van Zijn opstanding werd Christus van Godswege voortgebracht in Zijn menselijkheid. Op deze wijze werd Hij de eerstgeboren Zoon van God die op Zijn beurt weer vele zonen van God voort zou brengen. We moeten ons realiseren dat de dag van Christus' opstanding tevens de dag van onze wedergeboorte was. Toen Christus uit de dood opstond, werden ook wij – dat wil zeggen alle gelovigen – met Hem opgewekt (1 Pet. 1:3). In Zijn opstanding werd Hij geboren als de eerstgeboren Zoon van God, terwijl Zijn gelovigen tezelfdertijd als Gods vele zonen geboren werden. Op de dag van Christus' opstanding werden al Gods uitverkorenen opgewekt en als Gods vele zonen voortgebracht. God heeft nu dus vele zonen met zowel de goddelijke als de menselijke natuur. Maar onder deze vele zonen is uiteraard alleen de Eerstgeborene Zijn eniggeboren Zoon. In Zijn opgestane menselijkheid is deze eniggeboren Zoon van God tevens de eerstgeboren Zoon van God. Als de eerstgeboren Zoon van God bezit Hij niet alleen de goddelijke, maar bovendien de menselijke natuur, terwijl Zijn gelovigen – dat wil zeggen Gods vele zonen — eveneens zowel de goddelijke als de menselijke natuur bezitten (2 Pet. 1:4). Nu worden we dagelijks gelijkvormig gemaakt aan het beeld van Gods eerstgeboren Zoon (Rom. 8:29).

 

Om Zijn goddelijke leven te bevrijden voor Zijn voortplanting

 

In Zijn opstanding bevrijdde Christus bovendien Zijn goddelijke leven ten behoeve van Zijn voortplanting (Joh. 12:24; 1 Pet. 1:3). Zodra de Heer Jezus, als de tarwekorrel, stierf, begon Zijn innerlijke, goddelijke leven op te groeien. Dit leven werd in Zijn opstanding bevrijd om vele tarwekorrels voort te brengen. Zo werd Hij vermenigvuldigd en deze vermenigvuldiging is Zijn voortplanting. Deze ene korrel vermenigvuldigde zich tot vele tarwekorrels. Christus volbracht dit grote werk door middel van Zijn opstanding.

 

Om verheerlijkt te worden, opdat God verheerlijkt zou worden in Hem

 

Christus' opstanding was tevens Zijn verheerlijking, opdat God op Zijn beurt verheerlijkt zou worden in Hem (Joh. 12:28; 13:31-32; 17:1; Luc. 24:26). Toen Christus een mens was, bleef het goddelijke leven verborgen in Zijn menselijk omhulsel. Door de dood van Christus werd dit menselijk omhulsel echter verbroken. Zo werd het goddelijke leven tenslotte bevrijd. De bevrijding van het goddelijke leven was niet alleen de verheerlijking van Christus, maar tevens de verheerlijking van de verborgen God. Lucas 24:26 zegt: "Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?" Dit woord verwijst duidelijk naar Zijn opstanding (1 Kor. 15:43a; Hand. 3:13a, 15a). Dit vers vertelt ons dus dat Christus via Zijn opstanding de heerlijkheid binnenging. Zelfs vóór Zijn hemelvaart was Christus de heerlijkheid al binnengetreden. Zo werd niet alleen Christus in Zijn opstanding verheerlijkt, maar bovendien God zelf.

 

Om de Leven-gevende Geest te worden, opdat Hij Zijn gelovigen kan binnengaan

 

In Zijn opstanding werd Christus bovendien de leven-gevende Geest, opdat Hij Zijn gelovigen kan binnengaan (1 Kor. 15:45b; Joh. 20:22). Terwijl Hij nog in het vlees was, kon Hij zich hooguit onder Zijn gelovigen begeven. Maar in de opstanding werd Christus de leven-gevende Geest. Op de dag van Zijn opstanding bezocht Hij Zijn discipelen en blies Zichzelf vervolgens, als de Geest, in hen. Ook dit was een groot werk dat Hij in Zijn opstanding voltooide.

 

ZIJN HEMELVAART

 

Ofschoon Christus heel veel door Zijn dood, Zijn opstanding en Zijn hemelvaart heeft volbracht, moet het werk dat Hij ten tijde van Zijn hemelvaart aanving alsnog voltooid worden. Dit werk zal Hij voortzetten tot Zijn wederkomst.

 

Om tot Heer gemaakt te worden

 

Christus' hemelvaart heeft Hem tot Heer gemaakt (Hand. 2:36a). Net zoals Christus zowel Gods eniggeboren Zoon in de verleden eeuwigheid, als Gods eerstgeboren Zoon in opstanding was, zo heeft Christus, als de Heer, ook twee aspecten. Ook in de verleden eeuwigheid was Christus de Heer, eenvoudig omdat Hij God zelf is. Maar op een dag nam deze Christus, die God zelf is, menselijkheid aan door middel van Zijn vleeswording. Zoals we gezien hebben, werd deze menselijkheid vervolgens "verzoond" door de opstanding van Christus. Het was echter in Christus' hemelvaart als een mens dat God Hem tot Heer maakte, niet alleen in zijn goddelijkheid, maar ook in zijn menselijkheid. Nu is Degene die de Heer is van het hele universum niet alleen God, maar ook een mens, de Godmens.

Om tot Christus gemaakt te worden

 

Zijn hemelvaart heeft Hem bovendien tot Gods Christus gemaakt (Hand. 2:36b). Voor Zijn hemelvaart was Hij uiteraard ook al de Christus (Matt. 16:16). Zelfs bij Zijn geboorte werd Hij de Christus genoemd (Matt. 1:16). Dit was voor de voltooiing van het eerste deel van Gods economie aan de hand van Zijn aardse bediening; wat enerzijds de verlossing en anderzijds de bevrijding van het goddelijke leven ten uitvoer bracht. In Zijn hemelvaart werd Hij officieel tot Gods Christus en Afgezant benoemd, om het tweede deel van Gods economie – aan de hand van Zijn hemelse bediening – te volbrengen. Zo wordt de Gemeente, op basis van Zijn hemelse bediening, voortgebracht en opgebouwd. De titel "Heer" heeft betrekking op Zijn positie als de Heer van het universum, terwijl de titel "Christus" betrekking heeft op Zijn taak om Gods eeuwige voornemen ten uitvoer te brengen.

 

Om Hem als Hoofd over alle dingen aan de Gemeente te geven,
opdat alle dingen onder Zijn hoofdschap worden gebracht in Hem

 

Christus' hemelvaart heeft Hem verder als Hoofd over alle dingen aan de Gemeente gegeven (Ef. 1:22). In Zijn hemelvaart werd Christus, als Hoofd over alle dingen, aan en voor de Gemeente gegeven. Dit betekent dat alles wat Hij is als het Hoofd over alle dingen wordt overgedragen aan de Gemeente voor haar deelname in Zijn verworvenheden, om alle dingen, in Hem, onder één hoofd samen te brengen (Ef. 1:10). Hij is het Hoofd over alle dingen en Hij is ook de focus, het centrum, van alle dingen. Alle dingen zullen onder één hoofd samengebracht worden in Christus door de Gemeente.

 

Zowel de val van satan als de val van de mens heeft het universum tot een plaats van verwarring en wanorde gemaakt. Maar Christus' hemelvaart heeft Hem als Hoofd over alle dingen aan de Gemeente gegeven om alles in het universum weer in orde te brengen. Daarom zullen op een dag alle dingen onder één hoofd samengebracht zijn in Christus. Dit zal zijn in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde door het Nieuwe Jeruzalem, dit is de uiteindelijke vervolmaking van de Gemeente.

 

Om Zijn Lichaam in de Geest te dopen

 

In Zijn hemelvaart heeft Christus al Zijn gelovigen in de Heilige Geest tot één Lichaam gedoopt (Hand. 2:33; 1 Kor. 12:13). In Zijn dood heeft Hij Zijn gelovigen verlost, in Zijn opstanding heeft Hij ze tot wedergeboorte gebracht en in Zijn hemelvaart heeft Hij ze stuk voor stuk in de Heilige Geest tot één Lichaam gedoopt. Door middel van deze drie stappen – Zijn dood, Zijn opstanding en Zijn hemelvaart – heeft Hij Zijn gelovigen verlost, tot wedergeboorte gebracht en tenslotte tot één Lichaam gedoopt. Zo werd Zijn Lichaam, op basis van Zijn hemelvaart, voortgebracht.

 

Om de hemelse Dienaar te zijn

 

In Zijn hemelvaart werd Christus tevens de hemelse Dienaar (Heb. 8:1). Als de Dienaar van de ware (hemelse) tabernakel, heeft Hij in Zijn hemelvaart een zoveel uitnemender bediening verkregen (Heb. 8:6) om de hemel, die niet alleen een plaats is, maar een gesteldheid van leven, in ons uit, opdat we het hemelse leven en de kracht mogen hebben om een hemels leven op aarde te leiden, zoals Hij deed toen Hij hier was, om onze hemelse roeping te vervullen (Heb. 3:1).

 

Om de Middelaar van een beter verbond te zijn

 

In Zijn dood sloot Christus een beter verbond tussen ons en God. In Zijn hemelvaart werd Hij de Middelaar, het Borgsteller van een beter verbond, dat Hij maakte door Zijn dood (Heb. 8:6; 9:15-17; 7:22). Als de Middelaar is Hij de Executeur in Zijn hemelse bediening van het nieuwe verbond, dat het Nieuwe Testament werd, aan ons nagelaten door Zijn dood met alle rijkdom van het Nieuwe Testament. Als de Borgsteller, is Hij niet alleen het onderpand maar ook de Garantsteller die garandeert dat alle zegeningen van het nieuwe testament ons worden nagelaten door Zijn dood.

 

Door middel van Zijn hemelvaart werd Christus dus de Executeur van het Nieuwe Testament (9:15-17). Het woord testament betekent wilsbeschikking. En deze wilsbeschikking bevat vele zegeningen die aan de gelovigen werden nagelaten. Elke wilsbeschikking heeft iemand nodig die het ten uitvoer brengt. In Zijn hemelvaart werd Christus daarom juist zo'n Executeur.

 

Om de Hogepriester te zijn om zorg te dragen voor Zijn gelovigen
en de kandelaren te verzorgen - de gemeenten

 

In Zijn hemelvaart werd Christus bovendien de Hogepriester die niet alleen zorg draagt voor alle gelovigen, maar tevens voor alle kandelaren – de gemeenten. Volgens het beeld in het Oude Testament verzorgde de priester de kandelaar door hem te "snuiten", opdat de kandelaar helderder zou schijnen. Zo zorgt Christus, als onze Hogepriester, ook vandaag de dag nog voor Zijn gelovigen, alsook voor de gemeenten als de kandelaren.

 

Om de Bestuurder van de goddelijke regering te zijn over het universum

 

Uiteindelijk heeft Christus' hemelvaart Hem tot Bestuurder van de goddelijke regering over het hele universum gemaakt (Opb. 1:5; 5:5-6). In het boek van Openbaring werd dit feit volledig geopenbaard. In Openbaring 1:5 werd Christus "de overste van de koningen der aarde" genoemd. Degene die vandaag over de hele wereld heerst – de Bestuurder van het hele universum – is niet de eerste de beste koning, president of wereldorganisatie. De overste der koningen van Gods regering over het universum is Christus. Hij is de Koning der koningen en de Heer der heerscharen. Hij heerst over het hele universum om Gods eeuwige plan ten uitvoer te brengen. De hele wereldsituatie is onder Zijn heerschappij en niet onder de heerschappij van de eerste de beste natie. Jezus Christus is de Bestuurder van het hedendaagse universum.

 

Vandaag, in Zijn hemelvaart, beheert en bestuurt Christus het hele universum. Deze regering zal worden voortgezet tot Zijn wederkomst. Dit is de Christus die we moeten ervaren en dit is de Christus die we genieten.

 

Witness Lee

The Secret of Experiencing Christ, ch. 4