TWEE PRINCIPES OM VANUIT TE LEVEN

Schriftlezing:
2 Kor. 5:7; Mt. 17:3,5b; 1 Kor. 4:3-4; Gn. 2:9b, 16-17

 

ONZE BESLISSINGEN MOETEN NIET DOOR UITERLIJKHEDEN BEHEERST WORDEN

 

De grootste fout die Gods kinderen begaan is, dat zij het juiste van het onjuiste scheiden door hetgeen zij met hun ogen waarnemen. Vele mensen bepalen wat juist en wat onjuist is, zowel op basis van hun opvoeding als op basis van hun levenservaring. Vandaar dat zij niet weten wat nu werkelijk juist en werkelijk onjuist is. Vergeet nu alsjeblieft niet dat het leven van een christen gebaseerd is op het innerlijke leven. Maar heel veel mensen hebben slechts uiterlijkheden voor God. Zij vellen hun oordeel over wat juist of wat onjuist is, aan de hand van uiterlijke dingen. Leven is echter iets heel anders. Zij die het leven bezitten, weten wat ik bedoel.

 

Ik hoop dat we dit allen voor God kunnen zien: zonder het leven kan een christen niets doen. Alles wat een toename van het innerlijke leven bewerkt is juist, terwijl alles wat een afname van het innerlijke leven teweegbrengt onjuist is. Of iets juist of onjuist is, is dus niet afhankelijk van een bepaalde uiterlijke standaard.

 

Ik kan me de doeltreffendheid van het werk van de broeders in een bepaalde plaats nog goed herinneren. Zij werden werkelijk door God gebruikt. Indien je me echter zou vragen of hun werk al of niet volmaakt was, zou ik je moeten zeggen dat het nog te wensen over liet. Daar ze mij in alle bescheidenheid vroegen of er misschien iets was wat ze konden verbeteren, attendeerde ik hun op een paar dingen. Ofschoon ze mij diverse keren dezelfde vraag stelden, vond er echter geen verandering plaats. Of ik mij hierover ergerde? Nee! Alleen een dwaas zou zich over zoiets ergeren, maar iemand die God werkelijk kent ergert zich over dergelijke dingen niet. Ik was slechts bij machte om uiterlijkheden aan te wijzen die misschien verbetering nodig hadden, maar Gods innerlijke werk bleef voor mij verborgen. Ik kon God uiteraard niet vertellen, wat Hij nu precies in hen moest doen.

 

In een andere plaats die ik bezocht, was het duidelijk dat de broeders het evangelie niet verkondigden. Zij bespraken deze zaak met mij en vroegen mij wat ik ervan dacht – of ik meende dat zij het evangelie moesten prediken. Ik antwoordde: "Volgens de leer, is het noodzakelijk dat we het evangelie prediken." Ze zeiden dat ze dit wel beseften, maar dat God hun daartoe niet het leven had gegeven. Zij die God werkelijk kennen, zullen zich in stilte terugtrekken, omdat zij weten dat Gods leven – en niet juist of onjuist – onze enige weg is. Het verschil tussen deze twee principes is ontzettend groot. Broeders en zusters, het contrast tussen deze twee principes is overweldigend. Zovele mensen overwegen slechts of een bepaalde handelwijze juist of onjuist is. Maar we moeten vandaag de dag niets ondernemen volgens het principe van wat juist en wat onjuist is. We hoeven ons vandaag de dag slechts af te vragen of het goddelijke leven in ons opwelt of wegkwijnt. Deze registratie van het leven bepaalt of we een zekere handelwijze voortzetten of niet. Alles wordt beslist in ons hart.

 

"HOORT HEM"

 

Toen de Heer Jezus op de berg verheerlijkt werd, waren ook Mozes en Elia aanwezig. Mozes vertegenwoordigde de uiterlijke morele standaard (de wet), terwijl Elia de uiterlijke menselijke standaard vertegenwoordigde (de profeten). Op de berg der verheerlijking zien we dus zowel de standaard van de wet als de standaard van de profeten (Mt. 17:3). In het Oude Testament waren de wet en de profeten meer dan bevoegd om te spreken, maar hier legde God hun echter het zwijgen op. God vertelde Petrus: "Dit is Mijn geliefde Zoon. .. hoort Hem!" (v. 5). Vandaag de dag is de standaard van het christelijke leven niet langer de wet, noch de profeten. De standaard van het christelijke leven is Christus zelf – het is de Christus die in ons woont. Het is dus niet de vraag of we het bij het rechte of bij het verkeerde eind hebben, maar veeleer of het goddelijke leven in ons met de voorgenomen handelwijze overeenstemt. Tot onze verbazing keurt het goddelijke leven vaak af, wat wij goedkeuren. In zo'n geval moeten we dus niet op ons gelijk staan.

 

HET GODDELIJKE LEVEN MOET TEVREDENGESTELD WORDEN

 

Ik kan me het verhaal van twee christelijke broeders, die een rijstveld hadden, nog goed herinneren. Rijstvelden moeten voortdurend geïrrigeerd worden. Hun rijstveld lag halverwege op een heuvel. Verder grensde hun rijstveld aan een lager gelegen rijstveld dat aan iemand anders toebehoorde. Eens, toen het erg heet was, putte zij water en zette zij hun rijstveld onder water. ’s Avonds gingen zij naar bed. Maar terwijl ze sliepen, groef de eigenaar van het lager gelegen rijstveld een gat in het irrigatiekanaal dat de broeders om hun rijstveld gelegd hadden en liet al het water in zijn eigen rijstveld lopen. De volgende morgen zagen de broeders precies wat er gebeurd was, maar zeiden er niets van. Wederom vulden zij hun kanalen met water. De volgende dag zagen zij dat hun veld weer drooggelegd was, maar zeiden er nog steeds niets van. Zij waren beiden christenen en meenden dat een christen alles stilzwijgend moest verdragen. Dit ging zo een week lang door. Sommige mensen meenden dat zij hun rijstveld `s nachts moesten bewaken, om de dief te vangen en hem een goed pak slaag te geven. Zij gaven echter geen antwoord op dergelijke suggesties; zij verdroegen het eenvoudig, omdat zij christenen waren.

 

Volgens menselijke voorstellingen, moest hun leven nu gevuld zijn met blijdschap en een gevoel van overwinning, omdat zij immers alles stilzwijgend verdroegen – zelfs nadat hun water zo vaak gestolen was. Maar vreemd genoeg, hadden zij desondanks geen vrede in hun hart. Daarop bezochten zij een broeder, die ervaren was in het werk van de Heer en zeiden: "Wij begrijpen niet waarom we geen vrede hebben, nadat we deze situatie inmiddels zeven of acht dagen lang hebben verdragen. Christenen moeten immers alles verdragen en anderen zelfs toestaan om hen te bestelen. Maar wij hebben desondanks geen vrede in ons hart." Deze broeder, die zeer ervaren was, zei daarop: "Jullie hebben nog niet voldoende gedaan, noch voldoende verdragen. Voordat jullie je eigen veld onder water zetten, moeten jullie eerst het veld van de dief vol laten lopen. Probeer dit eens en kijk dan maar of je geen vrede zult ervaren." Zij stemden beiden toe. De volgende morgen stonden zij vroeger op dan gewoonlijk en zetten het veld van de dief onder water, voordat zij hun eigen veld vol lieten lopen. Vreemd genoeg, nam hun vreugde steeds meer toe, naarmate zij het veld van de dief onder water zetten. Toen zij uiteindelijk hun eigen veld vol lieten lopen, hadden zij vrede in hun hart. Tenslotte hadden zij vrede met de gedachte dat deze persoon hun water stal. Na een paar dagen kwam deze persoon, die hun water had gestolen, zijn excuses aanbieden. Hij zei: "Indien dit de betekenis is van het christen-zijn, wil ik er meer van weten."

 

Dit toont aan, dat in het bereik van wat juist en wat onjuist is, verdraagzaamheid dus juist is. We kunnen toch niet méér van iemand verlangen? Deze broeders hadden een hele dag nodig om water te putten, en niet slechts in gewoon weer, maar in een brandende hitte. Zij waren geen hooggeschoolde mensen; zij waren boeren. Ze hadden wel degelijk het juiste en het goede gedaan. Wat kunnen we nog meer van hen verlangen? En toch hadden zij geen vrede in hun binnenste. Dit is een illustratie van de weg des levens. Dit is de weg die wij begaan. Er bestaat ook nog een andere weg – de weg van wat juist en wat onjuist is. De meeste mensen zullen zeggen, dat het juiste goed genoeg is, maar God zegt dat uitsluitend het leven voldoet. We moeten een bepaalde handelwijze doorzetten tot op het punt dat we innerlijke vreugde en vrede ervaren. Dit is het verschil tussen de weg des levens en de weg van wat juist en wat onjuist is. Op het eerste gezicht lijkt het wel alsof juist en onjuist alles is wat we nodig hebben. Maar God is nu eenmaal niet tevreden met "het juiste". Hij wil dat wij het goddelijke leven tevreden stellen.

 

Welke les kunnen we uit de Bergrede in Mattheüs 5-7 trekken? Het leert ons bovenal dat "juist-zijn" niet voldoende is. We kunnen een zekere wijze van doen voortzetten, zolang het goddelijke leven daarmee tevreden is. Dit is de inhoud van de Bergrede in Mattheüs 5-7. De Bergrede zegt dus niet dat alles in orde is, zolang alles maar op de juiste wijze gedaan wordt. De mens vraagt waarom hij zijn andere wang moet toekeren, wanneer iemand hem slaat. Is het soms niet goed genoeg, indien we eenvoudig niets zeggen wanneer iemand ons slaat? Is het dan niet wonderbaarlijk dat we hem niet berispt hebben en tevens enorme zelfbeheersing aan de dag gelegd hebben? Maar God zegt, dat het zelfs niet voldoende is dat we ons hoofd buigen en weglopen, nadat we geslagen zijn. Daarmee is het innerlijke leven namelijk niet tevreden. We moeten die persoon dus ook onze andere wang toekeren, zodat hij hem ook kan slaan. Dit betekent, dat wij geen haat in ons hart mogen koesteren. We zijn dus niet boos en we kunnen zo'n behandeling ook een tweede maal verdragen. Het leven is deemoedig. Het leven kan gemakkelijk de andere wang toekeren voor de volgende klap. Dit is de weg des levens.

 

Vele mensen zeggen dat Mattheüs 5-7 te moeilijk is voor hen. Ik moet toegeven dat dit inderdaad het geval is. Het is zelfs onmogelijk voor ons, om Mattheüs 5-7 ten uitvoer te brengen. Indien we het proberen zullen we sterven, omdat het eenvoudig te moeilijk is voor ons. We hebben echter een ander leven in ons. Dit leven vertelt ons dat we niet gelukkig zullen zijn, indien we het niet doen. Het maakt niet uit hoe vaak we door een broeder of zuster beledigd zijn. Indien we niet neerknielen en voor hen bidden, zullen we geen innerlijke vreugde ervaren. Het is goed om iets stilzwijgend te verdragen, maar indien we de leer van de Bergrede veronachtzamen, zullen we geen innerlijke vreugde ervaren. De Bergrede leert ons dat we het goddelijke leven in ons tevreden moeten stellen. Wanneer we dat doen is het goddelijke leven niet alleen tevredengesteld, maar tevens bevrijd, vredig en gelukkig. Het is dus de vraag of we de weg des levens of de weg van wat juist of wat onjuist is bewandelen. Indien we Gods Woord zorgvuldig lezen, zullen we zien dat het fout is om iets te beslissen aan de hand van het principe van wat juist of wat onjuist is. Bovendien is het fout om volgens ons "zelf-leven" te leven en te handelen.

 

DE BEHOEFTE AAN EEN INNERLIJKE VOLHEID DES LEVENS

 

Soms ontmoeten we een broeder die een grote dwaasheid heeft begaan. Volgens de norm, moeten we hem nu berispen en terechtwijzen. We maken onszelf wijs, dat hij op een serieuze en grondige wijze aangepakt moet worden. Vervolgens bereiden we onszelf voor om de feiten onder ogen te zien, omdat we weten dat hij nog een paar dagen thuis zal zijn. We gaan naar zijn huis en staan klaar om bij hem aan te kloppen. Maar dan vragen we onszelf plotseling af of we hier wel juist aan doen. Hij heeft wellicht een dwaasheid begaan, maar wat kunnen wij daar nu van zeggen? Terwijl we met opgeheven hand voor zijn deur staan doet zich een probleem voor. Onze opgeheven hand valt terug aan onze zijde. We maakten onszelf wijs, dat we het bij het rechte eind hadden. Dit is echter geen zaak van wat juist of wat onjuist is. Het is veeleer een zaak waarbij het goddelijke leven ons al dan niet toestaat om bepaalde dingen te doen. Vaak, wanneer we een broeder terechtwijzen, zal hij onze vermaning beleefd in ontvangst nemen en beloven dat hij alles zal doen wat God zegt. Maar hoe meer we hem berispen, hoe meer ons innerlijke wezen ineenkrimpt. Op weg naar huis moeten we zelfs toegeven dat het verkeerd was om deze broeder te berispen! Het is derhalve niet een zaak van goed of kwaad, maar een zaak waarbij we innerlijk gevuld zijn met het goddelijke leven.

 

Ik zal je nu een ander voorbeeld  geven. Een paar dagen geleden ontmoette ik een noodlijdende broeder, die zeer arm en hulpbehoevend was. Ik meende dat ik iets voor hem moest doen, omdat hij absoluut geen vooruitzichten had. Daar ik op dat punt zelf ook krap bij kas zat, was het voor mij dus een hele opoffering om hem te helpen. Het leek wel alsof ik de grenzen van mijn vermogen te boven ging, om hem te helpen. Volgens de norm had ik het bij het rechte eind. Waarom verheugde ik mij dan niet, toen ik hem het geld overhandigde? Vreemd genoeg kromp ik innerlijk ineen, toen ik hem het beloofde geld gaf. Een innerlijke stem zei: "Je doet aan liefdadigheid. Dat was geen daad die uit het leven voortsproot. Het was menselijke liefdadigheid en natuurlijke vriendelijkheid. Het was geen daad die uit het leven, maar een daad die uit je zelf voortsproot." God keurde deze handelwijze echter niet goed. Ik heb toen wel twee of drie weken onder deze zaak geleden. Ofschoon ik deze broeder geld had gegeven, moest ik mij niettemin voor God vernederen. Zodra ik thuis kwam, beleed ik mijn zonden en vroeg ik Hem om vergeving.

 

WE MOETEN ZOWEL ONS LEVEN ALS ONZE HANDELINGEN DOOR HET GODDELIJKE LEVEN LATEN LEIDEN

 

Broeders en zusters, voor Gods aangezicht moeten we onze handelingen niet door goed en kwaad laten beheersen, maar door het innerlijke leven. Het is de moeite waard om te doen waar het leven naar verlangt. Alles wat we doen zonder het leven – ongeacht hoe goed het is – zal ons uiteindelijk niets dan innerlijke veroordeling bezorgen. Een christen moet dus niet alleen zijn zonden aan God belijden, maar vaak ook het goede dat hij doet. Het principe van ons leven is geen principe dat onderscheid maakt tussen goed en kwaad. Voor Gods aangezicht moeten we bepalen wat betrekking heeft op het leven en wat betrekking heeft op de dood. Wanneer het leven in ons opwelt, is de ondernomen handelwijze de juiste. Wanneer het leven in ons wegkwijnt en we de innerlijke zalving niet kunnen bespeuren, maakt het niet uit of de ondernomen handelwijze nu juist of onjuist is. Dan moeten we eenvoudig onze zonden belijden en om Gods vergeving vragen.

 

Paulus zei dat hij zichzelf niet beoordeelde, maar dat alleen God hem beoordeelde (1 Kor. 4:3-4). Er zijn maar weinig mensen die dit Schriftgedeelte in 1 Korinthiërs begrijpen. Ofschoon deze zin als zodanig zeer eenvoudig is, is hij toch moeilijk te begrijpen, indien we het leven niet kennen. Indien we er een uiterlijke standaard van goed en kwaad op na houden, is het niet moeilijk om te beoordelen of we het juiste doen of niet. Omdat Paulus niet volgens een uiterlijke standaard van goed en kwaad handelde, kon hij slechts zeggen: "Ja, ook mijzelf beoordeel ik niet. Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; Hij, die mij beoordeelt is de Here." Degene die ons zal beoordelen voor de rechterstoel is de Here. We hebben bovendien een leven in ons dat ons verder brengt. Dit is de reden dat 2 Korinthiërs 5:7 zegt: "Want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen". Wij worden niet beheerst door een uiterlijke, zichtbare wet. Wij wandelen volgens de innerlijke leiding van de Heer.

 

We moeten dus nooit iets doen volgens een uiterlijke standaard van wat juist en wat onjuist is. Deze les moeten we allemaal leren. De standaard van wat juist en wat onjuist is, is dus niet slecht. Integendeel, het is een goede standaard. Maar voor een christen is hij eenvoudig niet voldoende. De christelijke standaard gaat juist en onjuist ver te boven. De dingen die verkeerd zijn, zijn ook inderdaad verkeerd; maar de dingen die juist zijn, zijn niet altijd juist. Indien we in overeenstemming met Gods leven handelen, zal Hij ons laten zien dat Hij hogere eisen stelt dan de menselijke wet. En juist omdat dit nu eenmaal zo is, is het zo gemakkelijk om het christenleven te leiden. In alles wat we doen zoeken we eenvoudig het spreken van de Heer. Op deze wijze zullen we spontaan het schijnen van het innerlijke licht ervaren. Vergeet dus alsjeblieft niet dat onze wedergeboorte een feit is. Verder is het ook een feit dat God in ons leeft, door de Heer Jezus. De Heer drukt Zichzelf voortdurend in ons uit. We hopen dat wij een voor een tot God zullen zeggen: "Begenadig mij, zodat ik alleen door de boom des levens en niet door de boom der kennis van goed en kwaad zal leven. Van nu af aan wil ik mijn aandacht op het leven concentreren en me voortdurend afvragen: "Wat is de gewaarwording des levens?" Indien we uitsluitend door dit principe leven, zullen we een grote verandering in ons christenleven zien.

 

Er doen zich vaak zoveel problemen voor, omdat we uitsluitend volgens de standaard van goed en kwaad leven. We begaan zoveel fouten, omdat we niet volgens de standaard van het leven wandelen. Zodra we de standaard van het leven gebruiken, zullen vele problemen opgelost worden.

 

GEBED

 

Heer, wij staan voor Uw aangezicht en bidden dat U weer zult spreken. De mens is leeg en kan niets doen. We kunnen slechts om Uw genade vragen om onze ogen te openen. Elke keer wanneer we onze mond openen of een beslissing maken, geef dat wij tot U komen en vragen of onze beslissing volgens goed en kwaad of volgens de innerlijke leiding van het leven plaatsvindt. Here, geef dat wij het verschil zien tussen wat geestelijk en wat vleselijk is. Geef, dat wij werkelijk het verschil tussen het innerlijke licht en de uiterlijke wet mogen zien. Here, red ons van de weg des doods. Here, het is verkeerd dat wij door de onderscheiding van goed en kwaad leven. Geef verder, dat we mogen zien dat de onderscheiding van goed en kwaad, zonde en dood betekent. Omdat alleen zij die in de dood leven zoiets kunnen doen. Zij die in het leven wandelen, moeten zich door het leven laten leiden. Het leven moet dan ook de leiding nemen. Here, wees ons nabij, opdat we dit duidelijk mogen zien. We hebben dit vele keren herhaald en we zeggen het nogmaals: dat Uw Woord niet ijdel gebruikt moge worden. Geef ons, zowel het leven als de wet te kennen. Zegen deze verstrooide uitingen. Wees ons barmhartig en begenadig ons. Leid ons verder op de weg die voor ons ligt. In de naam van de Heer Jezus. Amen.

 

Watchman Nee

Two Principles of Living