De volledige kennis van God

Schriftlezing:
Efe. 1:3-23

EEN GEBED OM OPENBARING

 

Naar gelang we God, Zijn werk en Zijn eeuwige plan dat Hij zich in de eeuwigheid voorgenomen had, beginnen te kennen, beseffen we dat het licht in de brief aan de Efeziërs overvloedig, hoog en bijzonder is. Voor de Heer moeten we ons een ding goed realiseren: in de brief aan de Efeziërs bracht God Paulus ertoe om twee gebeden te bidden. Het eerste gebed vinden we in hoofdstuk een, terwijl het andere gebed in hoofdstuk drie te vinden is. Het gebed in hoofdstuk een is zeer fundamenteel, terwijl het gebed in hoofdstuk drie voor de opbouw is. In hoofdstuk een bad Paulus dat we onze verhouding met de Heer zouden beseffen. In hoofdstuk drie wilde hij ons niet alleen attent maken op onze verhouding met de Heer, maar tevens op onze verhouding met de Gemeente. Nu zullen we iets zeggen over het gebed van Paulus in hoofdstuk een.

 

In vers 17 bad Paulus: "Opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest (Gr.- geest) van wijsheid en van openbaring om Hem recht (Gr.- ten volle) te kennen." Waarom wilde Paulus dat de gelovigen een geest van wijsheid en openbaring zouden hebben? Hij wilde dat zij de volgende dingen zouden kennen:

 

1) "Hem ten volle te kennen" (v. 17) Dit betekent God Zelf te kennen.

 

2) "Welke hoop Zijn roeping wekt, en hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij (Gr.- in) de heiligen" (v. 18). Dit verwijst naar Gods eeuwige plan en de voltooiing ervan. Gods roeping is voor ons om Zijn zonen te zijn. Deze zonen zijn tevens Zijn erfenis. Gods roeping vond plaats voor de grondlegging der wereld. In de komende eeuwigheid zal Hij een erfenis in de heiligen hebben, die vol zit met de rijkdommen der heerlijkheid. In de verleden eeuwigheid nam God een bepaald besluit en in de toekomstige eeuwigheid zal God daarvan de vruchten plukken. Deze twee dingen samen vormen Gods eeuwige plan en voornemen. Paulus trachtte Gods eeuwige plan aan ons kenbaar te maken.

 

3) "Hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons die geloven" (v. 19). Dit verwijst naar de kracht die God vandaag de dag gebruikt om Zijn doel te bereiken en Zijn plan te volvoeren. Dit heeft nu vooral betrekking op onze verhouding met Hem en Zijn eeuwige plan. We moeten deze dingen goed kennen en voor de Heer zelfs openbaring over hen ontvangen.

 

DE VOLLEDIGE KENNIS VAN HEM

 

Paulus vroeg God om ons een geest van wijsheid en openbaring te geven om deze drie dingen te kennen. Het eerste is: "Hem ten volle te kennen." Hoe wonderbaarlijk is het dat wij God ten volle mogen kennen.

 

Toen Paulus in Athene was, liep hij langs een altaar waarop geschreven stond: "AAN EEN ONBEKENDE GOD" (Hand. 17:23). Volgens de Atheners was het onmogelijk God te kennen. Het was inderdaad onmogelijk voor hen om God door middel van hun verstand of hun filosofieën te kennen. Zij waren wel in staat hypotheses op te stellen en te speculeren, maar God kenden zij nog altijd niet. Dit is tegenwoordig net als bij sommige mensen die wel met hun mond bekennen dat God bestaat, maar die Hem echter persoonlijk niet kennen.

 

Voordat de Here Jezus stierf, zei Hij nog: "Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt" (Joh. 17:3). Hij liet ons zien wat het eeuwige leven is. Het eeuwige leven is gewoon de kennis van God. De heiligen in Efeze kenden God al; we kunnen niet zeggen dat zij God helemaal niet kenden. Zij kenden God wel degelijk, omdat zij het eeuwige leven al hadden. En toch bad Paulus in zijn eerste gebed dat God hen een geest van wijsheid en openbaring zou geven om Hem ten volle te kennen. Terwijl de Atheners God helemaal niet kenden, openbaart dit gebed dat het mogelijk is voor een christen, die het eeuwige leven al heeft ontvangen en die God aanvankelijk leerde kennen, Hem nog altijd onvoldoende te kennen.

 

Onmiddellijk nadat we in de Heer geloofden, of misschien een paar jaar later, konden we niet zeggen dat we God helemaal niet kenden. En toch zijn we vaak zeer afhankelijk van ons verstand of ons gevoel om ons op onze reis bij te staan. We kennen God een klein beetje. Al met al zijn we zeer afhankelijk van onze gedachten en ideeën – onze geringe kennis van God terzijde gelaten. Als we deze gedachten en ideeën niet hebben om ons bij te staan, krijgen we het gevoel dat onze kennis van God niet zo zeker is en dat onze redeneringen niet zo overtuigend zijn. Ons verstand komt onze christelijke wandel daarom vaak te hulp. Pas wanneer onze redeneringen of doctrines in een impasse geraken, schijnt het dat we niet verder kunnen zonder de begeleiding van ons verstand. Bij andere gelegenheden kunnen we eenvoudig niet buiten onze gevoelens: e.g. gevoelens van warmte, ge­voelens van vreugde en van uitbundigheid. Voor ons zijn deze gevoelens benevens onze kennis van God absoluut noodzakelijk om vooruitgang te boeken.

 

Totdat God ons op een dag een geest van wijsheid en openbaring schenkt. Dan openbaart Hij Zichzelf aan ons op een zodanig frisse, bijzondere en diepgaande wijze, dat we niet slechts kunnen zeggen dat we Hem kennen, maar zelfs dat we Hem ten volle kennen. Dan kunnen we uitroepen: "Nu weet ik het. Ik heb het gezien en het is mij nu volkomen duidelijk. Ik heb geen andere hulp nodig. Ik heb de ondersteuning van m'n verstand of m'n gevoelens niet meer nodig. Ik ken God nu ten volle."

 

Het is mogelijk dat sommigen van jullie niet begrijpen wat ik bedoel. Ik wil het nu aan de hand van enkele voorbeelden illustreren. Een christen zei eens: "Ik ben inmiddels al tweeëntwintig jaar een gelovige. Gedurende de eerste twee jaar probeerde ik uit alle macht te geloven. Als je me vroeg of ik gered was, zou ik deze vraag met zekerheid bevestigen. Niemand kon zeggen dat ik niet gered was. Ik wist dat ik gered was en ik wist dat ik het eeuwige leven had. Ik had echter een probleem: wanneer anderen vroegen of ik in God geloofde, moest ik mezelf echt dwingen om te zeggen dat ik inderdaad geloofde. Het leek wel alsof ik mijn geloof vastklampte en dat als ik het liet gaan, ik onmiddellijk een ongelovige zou worden. Mijn geloof in de Heer was een afmattend geloof. Geloofde ik in God? Ja, inderdaad. Maar kende ik Hem ook werkelijk? Nee, ik kende Hem niet. Ik had heel veel redeneringen en leerstellingen nodig om mijn geloof te ondersteunen. Ik kon alleen dan vrede vinden wanneer ik voldoende reden had om mezelf te rechtvaardigen of wanneer ik de juiste leerstellingen gevonden had. Eerst dan kon ik met anderen over mijn geloof spreken. Ik had eenvoudig de hulp van m'n verstand nodig om een christen te zijn. Maar vandaag kan ik getuigen dat dit niet meer het geval is. Ik kan nu zeggen dat ik mijn God werkelijk ken. Ik heb geen redenen meer nodig om mijn geloof te onderbouwen. Ook heb ik geen extern bewijs meer nodig om mijn geloof te verdedigen."

 

Zo ziet het eruit wanneer we God werkelijk kennen. Dit soort kennis komt voort uit openbaring. Het is niet een zaak van helderheid in de leer, maar een zaak van innerlijke kennis. Deze kennis is anders dan de kennis die we hadden toen we voor het eerst geloofden. Die kennis moest met veel zorgvuldigheid behandeld worden, net als een kopje water dat tot de rand toe gevuld is – uit vrees het te morsen. Veel mensen geloven in de Heer Jezus op dezelfde wijze dat ze een kopje water vasthouden dat tot de rand toe gevuld is – ze doen heel voorzichtig. Ze zijn bang voor alles en nog wat. Op een dag geeft God hen echter een openbaring, en dan kennen ze Hem; ze beginnen Hem nu ten volle te kennen en Hem in werkelijkheid te zien. Problemen bestaan voor hen niet meer. Als je Hem werkelijk kent, kan het geloof van de hele wereld je niet helpen en kan tevens het ongeloof van de hele wereld je niet aan het wankelen brengen. Zelfs als de argumenten van anderen redelijk klinken; zelfs als ze zeggen dat de Bijbel bedriegerij is; en zelfs als er meer redenen zijn om niet te geloven dan om te geloven, kan geen reden je aan het wankelen brengen. Je kunt met vrijmoedigheid uitroepen: "Ik heb innerlijke kennis. Mijn kennis is dieper dan mijn verstand. En mijn kennis is ook dieper dan mijn gevoelens. Niets in mijn omgeving kan mijn innerlijke kennis aan het wankelen brengen."

 

Dit is werkelijk een uitermate belangrijke zaak. Veel christenen leven m.b.v. hun gevoelens. Als ze zich gelukkig en blij voelen, zeggen ze dat God hen zo genadig bejegend heeft. Als ze zich koud en onverschillig en lusteloos voelen zouden ze bijna willen zeggen: "Waar is God? Het is zo moeilijk om Hem te kennen!" Er zijn heel veel mensen die door hun gevoelens worden beheerst. Zo gauw als hun gevoelens verdwijnen, aarzelen en wankelen zij. Ze gedragen zich zo, omdat ze God niet ten volle kennen. God moet ons zover brengen dat we er niet langer om geven of we nu heet of koud, onverschillig of opgewonden zijn, eenvoudig omdat we God kennen. Onze kennis is dieper dan onze vreugde, onze pijn of onze gevoelens. Ofschoon het mogelijk is dat we vreugde, pijn of andere gevoelens ervaren, kunnen gevoelens ons toch niet veranderen, omdat we Hem innerlijk kennen. Uitsluitend dit soort christenen kan standhouden en alleen dit soort christenen is onwankelbaar. Alleen zulke personen kunnen door God worden gebruikt.

 

Er was eens een broeder die, kort nadat hij geloofde, te horen kreeg dat er fouten in de Bijbel zitten. Toen hij dit hoorde, maakte hij zich hierover zo bezorgd dat hij wel kon huilen. Hij geloofde dat de Bijbel juist was en dat er dus niets aan mankeerde. Maar anderen lieten hem enkele Bijbelverzen zien die hem ongerust maakten. Hij maakte zich ongerust over wat er zou kunnen gebeuren als de Bijbel werkelijk onjuist zou zijn. Vervolgens legde hij deze zaak aan een oudere zuster voor. Hij meende dat ook zij wel zeer bezorgd zou zijn, wanneer ze over die fouten in de Bijbel te horen kreeg, omdat zij de Heer en de Bijbel ook zo lief had. Maar nadat hij haar op de hoogte had gebracht, deed deze zuster – tot zijn verbazing – alsof er niets was gebeurd. Ze zei alleen maar: "Het geeft niet." De broeder dacht: "Jij geeft er misschien niet om. Maar ik geef er wel degelijk om." Hij drong nog eens bij haar aan op een antwoord. Tenslotte antwoordde zij dat iemands kennis van God niet van antwoorden op dergelijke vragen afhangt. De broeder dacht: "Iemand zo oud als jij hoeft zich over dergelijke vragen misschien niet druk te maken. Maar ik ben jong en ik heb een scherp verstand. Het is onmogelijk voor mij om deze zaak zo maar te laten varen." Later wijdde deze broeder er een heel jaar aan om de Bijbel in het licht van deze aantijgingen te bestuderen en onderzoeken. Uiteindelijk vond hij het bewijs dat de Bijbel helemaal geen fouten bevatte en dat hij dus juist was. Hij had toen het gevoel alsof hem een rotsblok van het hart viel. Indien deze broeder God echter had gekend, had hij zich veel moeite en zorgen kunnen besparen. Als je God ten volle kent, zul je geen steen op het hart dragen en zul je je aan niets ergeren – zelfs wanneer zich weer vragen voordoen. Anderen kunnen dit of dat bewijzen, maar christenen kunnen één ding bewijzen – God is God. Wij kennen onze God. Hij is zo reëel. Als we Hem eenmaal kennen, kennen we Hem. Wanneer we Hem ten volle kennen, zal elk probleem verdwijnen. Het is niet een zaak van overtuigende redeneringen of duidelijke leerstellingen, maar een zaak van openbaring. Openbaring is onontbeerlijk. We moeten God vragen om ons een geest van wijsheid en openbaring te geven, opdat wij Hem ten volle mogen kennen. Deze kennis is fundamenteel en zeer noodzakelijk voor een gelovige.

 

Watchman Nee
A Prayer for Revelation, ch. 1