Gelijkvormigheid en verheerlijking

Schriftlezing:

Rom. 8:29; Fil. 3:10; 1:19-21a; 1 Joh. 3:2; Rom. 8:30; Heb. 2:10; 1 Pet. 5:10; 1 Tes. 2:12; Rom. 8:23; Ef. 4:30

 

In de voorafgaande hoofdstukken hebben we de wedergeboorte, het weiden, heiliging, vernieuwing, transformatie en opbouw behandeld. Wedergeboorte betekent dat we behalve ons eigen leven ook Gods leven bezitten. Na de wedergeboorte hebben we echter nog steeds behoefte aan het weiden in Gods leven. Bovendien is het noodzakelijk dat ons karakter geheiligd wordt. Daarom moeten we God de gelegenheid geven om ons eigenaardige wezen aan de hand van Zijn heilige natuur te veranderen. God schiep de mens oprecht en eerlijk – en dus niet achterbaks. Maar na de val werd de mens onbetrouwbaar, oneerlijk en eigenaardig. Wij zijn gevallen mensen, die al vanaf onze geboorte verdorven zijn. Om deze reden hebben we Gods heiligende werk zo nodig – namelijk voor de verandering van ons karakter.

 

Verder is het noodzakelijk dat we de vernieuwing ervaren. Vernieuwing – volgens de Schrift – betekent dat de goddelijke essentie in ons wezen uitgedeeld wordt, om een verandering van ons verstand teweeg te brengen. In 2 Korinthiërs 3 zei Paulus dat het oude verbond een verbond van de letter, en niet van het leven was, en dat wij daarom, als dienaars van het nieuwe verbond, dienaars van de Geest, en niet van de letter moeten zijn (v. 6). Omdat hun hart van de Heer afgewend was, beschouwden de Joden de wet van Mozes uitsluitend volgens de letter. Toen zij zich op deze wijze van de Heer afwendden, om volgens de letter van de Mozaïsche wet te leven en te wandelen, werd de ene bedekking na de andere op hun hart gelegd. Door de eeuwen heen ontvingen de Joden de traditionele leer van hun voorvaders, waardoor hun verstand gevormd en gefixeerd werd, en dus moeilijk te veranderen was. Hetzelfde geldt voor de oudere christenen in het christendom van vandaag. Het is noodzakelijk dat hun hart zich tot de Heer wendt, zodat hun bedekking weggenomen kan worden (2 Kor. 3:16).

 

Wanneer ons hart zich van de Heer tot andere dingen wendt, worden die dingen op hun beurt weer tot sluiers die ons hart bedekken. Vandaag de dag zijn er verschillende theologische scholen, die er stuk voor stuk hun eigen opvattingen op na houden. Ofschoon er slechts één Bijbel is, leest iedereen hem echter op zijn eigen manier. Zo hebben bijvoorbeeld maar weinigen gezien dat de mens een geest heeft. Er zijn echter minstens drie Schriftgedeelten die èn naar de Geest van God èn naar de geest van de mens verwijzen. Ten eerste zegt Johannes 4:24 dat God Geest is en dat zij die Hem willen aanbidden Hem in hun (menselijke) geest moeten aanbidden. Ten tweede zegt Johannes 3:6 dat hetgeen uit de Geest (de Geest van God) geboren is, geest (de menselijke geest) is. Ten derde zegt Romeinen 8:16 dat de Geest met onze geest getuigt dat wij kinderen van God zijn. Indien we een vernieuwd verstand hebben, zullen we – aan de hand van deze drie passages – gemakkelijk kunnen zien dat we een menselijke geest bezitten.

 

De Bijbel zegt dat de vernieuwing in de geest van ons verstand plaatsvindt (Ef. 4:23). Alleen wanneer onze geest de geest van ons verstand wordt, kunnen we vernieuwd worden. Dit betekent dat ons verstand alleen dan vernieuwd kan worden, wanneer de geest zich erin verspreidt. Indien ons verstand vervuld is met zichzelf, zullen we geen vernieuwing ervaren. In 1 Korinthiërs 15:45 staat: "De laatste Adam werd een leven-gevende Geest." Dit vers verwijst duidelijk naar Christus als de Geest, maar als je erop staat niet te geloven, is er geen hulp voor jou. Je moet opzij zetten waar je op staat en je openstellen voor de Heer. De Heer zal tegen je zeggen: "Kind, Mijn woord zegt dat ik Geest ben, dus je moet ook zeggen dat ik Geest ben." Als je het woord van de Heer op deze manier ontvangt, zal je verstand vernieuwd worden.

 

Verder moeten we niet alleen vernieuwd, maar tevens getransformeerd worden. Transformatie is geheel en al een zaak van het goddelijke leven, dat op een metabolische wijze in ons werkt en ons transformeert. Dit is echter niet slechts een transformatie van ons innerlijk karakter, maar bovendien van ons uiterlijk evenbeeld – dat wil zeggen een transformatie in het evenbeeld van de Heer. Nadat we getransformeerd zijn, is het nog steeds noodzakelijk dat we opgebouwd worden. We moeten in het goddelijke leven samengevoegd en verbonden worden voor de opbouw van het Lichaam van Christus, wat in het Nieuwe Jeruzalem voleindigd zal worden.

 

GELIJKVORMIGHEID

 

In dit hoofdstuk zullen we de onderwerpen van gelijkvormigheid en verheerlijking behandelen. Het is niet gemakkelijk om de waarheden te presenteren. Augustinus zei dat als je probeert de Drie-enige God te begrijpen, het is alsof je een kleine pollepel gebruikt om de oceaan te meten. Het is echt zo. Net zoals de waarheid over de Drie-enige God diepgaand is, zo ook de waarheid over de gelijkvormigheid. We moeten niet alleen getransformeerd en opgebouwd worden, maar het is bovendien noodzakelijk dat we gelijkvormig gemaakt worden.

 

Gelijkvormigheid aan het beeld van Gods eerstgeboren Zoon

 

Aan wie of wat moeten wij gelijkvormig worden? Wij moeten gelijkvormig worden aan het beeld van Gods Zoon. Romeinen 8:29 zegt: "Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld Zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen." God heeft ons uitverkoren, om gelijkvormig te zijn aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de Eerstgeborene zou zijn onder Zijn vele zonen.

 

Gods eerstgeboren Zoon is Christus als de Godmens

 

In de hedendaagse theologie bestaat er een zeer moeilijk vraagstuk omtrent de Zoon van God, namelijk: hoeveel zonen heeft God nu eigenlijk? Hebreeën 12:23 spreekt van de gemeente der eerstgeborenen. Die eerstgeboren zonen zijn wij, de heiligen. Maar hoe kunnen we nu zeggen dat de heiligen de eerstgeboren zonen zijn? Jakobus 1:18 zegt dat God "ons voortgebracht heeft door het woord der waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen". Als de samenstellende delen van de Gemeente, zijn wij de eerstelingen van Gods schepselen. Te zeggen dat de eerstelingen naar de eerstgeboren zonen verwijzen is betrekkelijk. Op een dag zullen zowel de heidenen als de Joden dezelfde God aanbidden. Ofschoon we dit nu nog niet kunnen waarnemen, moeten wij, de gelovigen, het initiatief nemen om God te aanbidden – in dit opzicht zijn we dus de eerstgeboren zonen, de eerstelingen van Gods schepselen.

 

Aan de andere kant, zegt Johannes 1 dat Christus de eniggeboren Zoon van God is (v. 18), terwijl Romeinen 8 naar Christus als de Eerstgeborene onder vele broederen verwijst (v. 29). Christus was de eniggeboren Zoon van God, die uiteindelijk de eerstgeboren Zoon van God onder vele broederen werd. Als de Zoon van God heeft Christus dus een tweevoudige status: enerzijds is Hij de eniggeboren Zoon en anderzijds is Hij de eerstgeboren Zoon. Wat is het verschil tussen Gods eniggeboren Zoon en Gods eerstgeboren Zoon? Gods eniggeboren Zoon bezit de goddelijke, maar niet de menselijke natuur, terwijl Gods eerstgeboren Zoon zowel de goddelijke als de menselijke natuur bezit. Toen God vlees werd, bracht Hij de goddelijke natuur in de menselijkheid. En toen de Heer uit de doden opstond bracht Hij de menselijke natuur in de goddelijkheid. Dat wil zeggen, Hij vermengde de menselijke natuur met de goddelijke natuur. De vermenging van de menselijke natuur met de goddelijke natuur resulteerde in de tweede status van de Zoon van God – namelijk de eerstgeboren Zoon van God.

 

In de verleden eeuwigheid was de Heer ook al de eniggeboren Zoon van God. Uiteindelijk stapte Hij echter als een mens de tijd binnen – maar Hij was ook toen nog steeds niet de eerstgeboren Zoon van God. Wanneer werd Hij dan de eerstgeboren Zoon van God? Romeinen 1:3-4 zegt: "Aangaande Zijn Zoon die geworden is uit het geslacht van David naar het vlees, die verklaard is als Gods Zoon in kracht naar de Geest van de heiligheid, door dodenopstanding, Jezus Christus onze Heer" (Herziene Voorhoeve-uitgave). In deze verzen wordt het woordje "naar" twee keer gebruikt: naar het vlees is Hij uit het geslacht van David, een mens; en naar de Geest van de heiligheid is Hij de Zoon van God. Zo werd Hij dus verklaard als de Zoon van God in kracht, volgens de Geest der heiligheid, en door de opstanding uit de doden.

 

Wanneer en op welke wijze vond deze verklaring dan wel plaats? Dit vereist een kleine uitleg. 1 Petrus 3:18 zegt: "Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Hij die wel gedood is in het vlees, maar levend gemaakt in de Geest". Dit vers geeft ons te kennen, dat, terwijl Hij in het vlees stierf, Hij desondanks actief was in Zijn Geest. Wat voerde Hij daar nu eigenlijk uit? In Johannes 12:24 zei de Heer dat Hij een tarwekorrel was, die alleen dan veel vrucht zal dragen, wanneer hij in de aarde valt en sterft. Wanneer een tarwekorrel in de aarde valt, sterft en vergaat weliswaar zijn uitwendige omhulsel, maar is zijn innerlijke leven daarentegen zeer actief. Aan de ene kant sterft de tarwekorrel, terwijl hij aan de andere kant blijft leven. Wanneer de tarwekorrel sterft, geeft deze dood het leven in de korrel de gelegenheid, om te werken en nieuwe spruiten voort te brengen. Dit is opstanding. Toen de Heer in het graf gelegd werd, was Zijn vlees, Zijn menselijkheid, uiteraard al gestorven. Maar Zijn goddelijkheid, de Geest der heiligheid, had een uitstekende gelegenheid om te werken. Ten eerste bracht Hij de menselijkheid van Christus in de opstanding, dat wil zeggen in de goddelijkheid. Het was op dat moment dat God zei: "Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt" (Hand. 13:33). "Heden" verwijst naar de dag van Christus' opstanding. Het was in de tijd dat de Geest der heiligheid de menselijkheid van Christus verhoogde en Zijn vlees in de opstanding bracht dat God zei: "Ik heb U heden verwekt". Vanaf dat moment was Hij de eerstgeboren Zoon van God.

 

Daar Hij de eerstgeboren Zoon van God is, is het dus noodzakelijk dat er ook broeders zijn. Zijn broeders zijn wij die behouden zijn, omdat we in dezelfde geboorte voortgebracht werden als Hij. Wij werden immers ook in Zijn opstanding geboren! 1 Petrus 1:3 zegt dat God ons – ten tijde van Christus' opstanding, en derhalve in Zijn opstanding – regenereerde. Denk nu niet dat je pas twee maanden geleden geregenereerd werd. Verder werd je dus ook niet zevenenzestig jaar geleden wedergeboren. Wij werden allen tweeduizend jaar geleden wedergeboren door de opstanding van Christus. God heeft Zijn tijdschema, terwijl wij er ons eigen tijdschema op na houden; deze twee tijdschema's zijn echter gebaseerd op verschillende berekeningen. Het is daarom beter dat we ons aan Gods tijdschema houden. Volgens Zijn berekeningen, heeft Hij ons al vóór de grondlegging der wereld uitverkoren (Ef. 1:4). Bovendien werd Christus vanaf de grondlegging der wereld geslacht, dat wil zeggen vanaf de schepping van de hemel en de aarde (Opb. 13:8). Volgens Gods berekeningen werden we tweeduizend jaar geleden wedergeboren in de opstanding van Christus (1 Pet. 1:3).

 

Door de wedergeboorte werden we dus Gods kinderen, Gods vele zonen, en de vele broeders van Christus. We moeten echter nog steeds gelijkvormig gemaakt worden aan het beeld van Gods Zoon – niet aan het beeld van de eniggeboren Zoon, maar aan het beeld van de eerstgeboren Zoon van God. Omdat de eniggeboren Zoon van God geen menselijkheid heeft, terwijl de eerstgeboren Zoon van God zowel de goddelijke als de menselijke natuur bezit. Waarom moeten we nu nog steeds gelijkvormig gemaakt worden aan het beeld van Gods eerstgeboren Zoon, indien we inmiddels al Gods zonen zijn door middel van de wedergeboorte? Ofschoon we inderdaad wedergeboren werden om Gods zonen te zijn, leven we echter nog steeds niet als zonen van God. Zo is het bijvoorbeeld heel goed mogelijk dat sommige mannen en vrouwen onder ons zelfs vanochtend nog met elkaar gebekvecht hebben, voordat zij deze samenkomst bezochten. Het is daarom noodzakelijk dat we aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig gemaakt worden, opdat Hij de Eerstgeborene onder vele broeders mag zijn. Aan het beeld van Gods eerstgeboren Zoon gelijkvormig te worden, houdt in dat wij Zijn beeld uitleven. Wanneer wij – als Zijn broeders – Zijn beeld uitleven, zal Christus als de eerstgeboren Zoon van God aan de wereld tentoongespreid worden.

 

Gelijkvormigheid aan de dood van de Heer

 

Om te weten hoe wij aan het beeld van Gods Eerstgeborene gelijkvormig gemaakt kunnen worden, moeten we eerst goed begrijpen op welke wijze Gods Eerstgeborene op deze aarde leefde. De eerstgeboren Zoon van God is zowel de Zoon van God als de Zoon des Mensen. Hij is een Godmens, die het leven van een mens op deze aarde leefde. Het leven dat Hij op deze aarde leefde, was precies dat leven wat God op aarde wilde zien, toen Hij de mens net geschapen had. Na de val, was de mens niet langer bij machte om het leven te leiden waar God zo naar verlangde. Om deze reden kwam de eniggeboren Zoon van God – namelijk om de Zoon des mensen te zijn. In de vier Evangeliën werd de Heer vanaf het begin tot het einde de Zoon des mensen genoemd (Matt. 8:20; 26:64); Hij leefde dus als een mens op deze aarde. Dagelijks leefde Hij als een mens in de schaduw van het kruis; Hij was een mens die Zichzelf voortdurend verloochende en kruisigde. Hij vertelde de mensen, dat de woorden die Hij sprak niet zijn eigen woorden waren en dat alles wat Hij deed niet volgens zijn eigen verlangen was (Joh. 8:28-29; 14:10). Zo waren dus niet alleen Zijn woorden, maar ook Zijn daden volledig in overeenstemming met de wil van Zijn Vader. Op deze wijze vervulde Hij tevens de juridische eisen die God aan Hem stelde. Zo verwierf Hij de bevoegdheid om voor ons aan het kruis te sterven. Drieëndertig en een half jaar werd het menselijke leven van de Heer Jezus door God op de proef gesteld. Toen Hij de rechtvaardige eisen van God eenmaal vervuld had, was Hij bevoegd om voor ons en onze zonden aan het kruis te sterven. Aan het kruis werd Hij vervolgens als een zondaar, en zelfs als zonde, door God veroordeeld (2 Kor. 5:21). Zijn dood was een juridische aangelegenheid voor de vervulling van Gods rechtvaardige eisen. Dit is wat Hij uitvoerde als de Zoon des Mensen. Het gekruisigde leven dat Hij, als de Zoon des Mensen, op deze aarde leefde werd een vorm, waaraan wij gelijkvormig gemaakt moeten worden (Fil. 3:10b).

 

Vandaag zijn wij, de gelovigen, precies eender als Hij. Volgens het vlees zijn we inderdaad de zonen van Adam, maar we kunnen nu ook zeggen dat we – volgens de Geest der heiligheid – de zonen van God zijn. We leiden echter nog steeds niet het leven van Gods zonen. Een leven in de schaduw van het kruis bepaalt of je al dan niet het leven van een zoon van God leidt. Ons zelf te verloochenen, aan het kruis te blijven, ons zelf in de dood te geven, is ware gelijkvormigheid aan de dood van de Heer. Wanneer we op deze wijze aan Zijn dood gelijkvormig gemaakt worden, zal de Geest in ons kunnen werken. Dit is net als een graankorrel die in de aarde valt en sterft; het uitwendige omhulsel vergaat, terwijl het innerlijke leven juist begint te werken.

 

Indien we aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig gemaakt willen worden, moeten we dagelijks de gelijkvormigheid aan Zijn dood ervaren. Het is niet een zaak van verdraagzaamheid. We moeten dus niet proberen om meer verdraagzaamheid aan den dag te leggen – wij moeten eenvoudig sterven. Je zult misschien zeggen dat je niet weet hoe je moet sterven. Daarom is het noodzakelijk dat je zonder ophouden bidt. Indien je niet hardop kunt bidden, bid dan in je hart. Hoe meer je bidt, hoe meer het je duidelijk zal worden hoe je jezelf in de dood kan geven.

 

In het kort: gelijkvormigheid is de vervolmaking van de transformatie in het goddelijke leven. Gelijkvormigheid houdt verder in dat alle gelovigen aan het beeld van de eerstgeboren Zoon van God – dat wil zeggen aan het beeld van Christus als de Godmens – gelijkvormig gemaakt zullen worden. Gelijkvormigheid aan het beeld van Gods eerstgeboren Zoon betekent tenslotte, dat de gelovigen tot volwassen Godmensen op zullen groeien. Dit is de gelijkvormigheid aan de dood van Christus, door de kracht van Zijn opstanding (Fil. 3:10). En zo leven we Christus om Hem te vergroten, door de overvloedige verzorging van de Geest van Jezus Christus, de Godmens (Fil. 1:19-21a). Wij zijn de vermenigvuldiging van de Godmens – Christus – opdat we in elk opzicht aan Hem, dat wil zeggen aan de eerstgeboren Zoon van God, gelijk zouden zijn (1 Joh. 3:2).

 

Verheerlijking

 

Verheerlijking betekent in feite niets anders dan het binnentreden in de heerlijkheid. Door de ervaring van de wedergeboorte, het weiden, de heiliging van het karakter, vernieuwing, transformatie, opbouw en gelijkvormigheid aan het beeld van de eerstgeboren Zoon van God, zijn de gelovigen volwassen geworden en dientengevolge bereid om opgenomen te worden. Nu wachten zij eenvoudig op de komst van de Heer. Wanneer de Heer terugkomt, zullen zij niet alleen de heerlijkheid binnengaan, maar zullen zij tevens het hoogste genot van het goddelijke zoonschap als hun erfdeel ervaren (Rom. 8:23). Verheerlijking vindt dan plaats wanneer de gelovigen de heerlijkheid van Christus tentoonspreiden, door hun groei tot volwassenheid in het leven van Christus. Verheerlijking is de openbaring van de heerlijkheid van de eerstgeboren Zoon van God vanuit ons binnenste. Verheerlijking is ook het binnengaan in de heerlijkheid, die God zelf is (Heb. 2:10; 1 Pet. 5:10; 1 Tes. 2:12). Het binnengaan in de heerlijkheid is dus het binnentreden in de Drie-enige God zelf. Wanneer we met ons hele wezen de Drie-enige God binnentreden, zullen we verheerlijkt worden. Verheerlijking is tenslotte ook de verlossing van ons lichaam (Rom. 8:23; Ef. 4:30), dat wil zeggen, de uiteindelijke vervolmaking van Gods complete behoudenis in de gelovigen. Dit is de voltooiing van Gods organische werk in de gelovigen. Gods organische werk begint met de wedergeboorte en eindigt met Zijn verheerlijking. Zijn organische werk begint dus vanaf het moment dat Hij bij de mens binnentreedt en eindigt wanneer Hij de mens praktisch in Zichzelf brengt. Wedergeboorte vindt dus plaats wanneer God in de mens komt wonen, terwijl verheerlijking plaatsvindt wanneer de mens bij God binnentreedt. Op deze wijze wordt de mens volkomen met God verenigd en vermengd voor de uitdrukking van Zijn evenbeeld. Dat is verheerlijking. Het Nieuwe Jeruzalem is dus de uiteindelijke vervolmaking van Gods complete behoudenis – dat wil zeggen de kristallisatie van de vereniging van God en de mens; van de door een proces gegane en voleindigde Drie-enige God en Zijn wedergeboren, getransformeerde, gelijkvormig gemaakte en verheerlijkte driedelige uitverkorenen.

 

Hoe Gods juridische verlossing en Gods organische behoudenis met elkaar in verband staan

 

Nu zullen we tenslotte het onderlinge verband tussen Gods juridische verlossing en Zijn organische behoudenis bekijken. Gods juridische verlossing en Zijn organische behoudenis staan nauw met elkaar in verband. Christus volbracht de juridische verlossing tijdens Zijn drieëndertig en een half jarige verblijf op deze aarde; terwijl Hij de organische behoudenis vanaf Zijn opstanding tot in de eeuwigheid volbrengt. Het onderlinge verband tussen deze twee zaken is ten eerste, dat Gods juridische verlossing de gelovigen kwalificeert om van Gods organische behoudenis te genieten. De juridische verlossing stelt hun bovendien in staat om Gods hogere genade te ervaren, voor de vervulling van Gods economie en de voltooiing van Gods eeuwige voornemen.

 

Ten tweede, werd de Gemeente van God voortgebracht door Gods juridische verlossing. Zonder een dergelijke verlossing had de Gemeente nooit voortgebracht kunnen worden, omdat Handelingen 20:28 zegt dat God de Gemeente door Zijn eigen bloed gekocht en verlost heeft. Aan de andere kant is de Gemeente van God (organisch) samengesteld uit mensen die door middel van het goddelijke leven wedergeboren werden. Dit organische aspect resulteert in de opbouw van het Lichaam van Christus (Ef. 1:22-23).

 

Ten derde, moet Gods organische behoudenis voortdurend door Gods juridische verlossing in stand gehouden worden. Zeg nu niet dat de juridische verlossing je inmiddels tot de organische behoudenis gebracht heeft en dat je het juridische aspect daarom niet meer nodig hebt. Nee, je hebt het juridische aspect van Gods behoudenis, dat wil zeggen de verlossing, nog steeds nodig. Gods organische behoudenis moet voortdurend door Gods juridische verlossing in stand gehouden worden. Wanneer bijvoorbeeld de gemeenschap van de gelovigen met God door hun zonden onderbroken wordt, is het zonder meer noodzakelijk dat het verlossende bloed van Christus hun gemeenschap met God weer herstelt. Daarom zegt 1 Johannes 1:6-9, dat indien wij zondigen, wij onze zonden aan God moeten belijden en Hem om vergeving moeten vragen; dan zal God niet alleen onze zonden wegwassen door middel van het bloed van Christus, maar dan zal Hij tevens onze gemeenschap met Hem weer herstellen. Wanneer onze gemeenschap met God onderbroken wordt, kan alleen het verlossende bloed haar weer herstellen. En wanneer de gelovigen tegen God gezondigd hebben, is Christus, hun Verlosser, verantwoordelijk om hen voor God te verdedigen als hun hemelse Voorspraak (1 Joh. 2:1-2). We moeten dus niet zeggen, dat, aangezien we nu de organische behoudenis ervaren, we daarom niets meer met de verlossing te maken hebben. Het is namelijk de verlossing die ons onderhoudt, omdat onze zwakheid nog vaak de overhand heeft.

 

Ten vierde, zullen de gelovigen de uiteindelijke transfiguratie van hun lichaam ervaren, wanneer zij Gods heerlijkheid binnentreden – dit is de verlossing van hun lichaam (Ef. 4:30; Rom. 8:23). Waarom moet ons lichaam dan nog steeds verlost worden? We zijn dan immers al getransformeerd in het beeld van de Heer en zullen weldra opgenomen worden in de heerlijkheid. Waarom moet ons lichaam dan nog steeds verlost worden? Omdat ongeacht hoe geestelijk, vernieuwd en getransformeerd de gelovigen zijn, hun lichaam nog steeds deel uit maakt van de oude schepping. Hun lichaam heeft dus tot op het laatst Gods juridische verlossing nodig. Uiteindelijk zal het dan Gods organische behoudenis ontvangen en de heerlijkheid binnengaan – dit is transfiguratie (Fil. 3:21; Rom. 8:30). Ofschoon zowel de opname als de transfiguratie een organische aangelegenheid is, moet ons lichaam desondanks nog verlost worden.

 

Ten vijfde, is Gods juridische verlossing als de procedure zinloos, zonder Gods organische behoudenis. Dan zouden de zondaren hoogstens de verlossing ervaren, de vergeving der zonden ontvangen en door God gerechtvaardigd worden. Maar voor de meeste gelovigen is het doel volkomen onduidelijk. Zij menen ten onrechte dat "het naar de hemel gaan" het doel van hun verlossing is. Ze hebben er geen flauw idee van dat Gods juridische verlossing een procedure is, die het doel van Gods organische behoudenis nastreeft – namelijk de wedergeboorte, het weiden, de heiliging van het karakter, vernieuwing, transformatie en de opbouw van het Lichaam van Christus met het Nieuwe Jeruzalem als de uiteindelijke vervolmaking. Het uiteindelijke doel van Gods organische behoudenis, is derhalve dat wij Zijn eeuwige vergroting en uitdrukking zullen zijn.

 

Witness Lee

The Organic Aspect of God's Salvation, ch. 5