Het geheim van het voeden en de heiliging

Schriftlezing:
Job. 6:63; Ef. 6:17; 1 Pe. 2:2; Heb. 5:14; Job. 10:2-4, 9, 10b-11, 14-16; Op. 7:17; Heb. 13:20-21; 1 Pe. 2:25; 5:4; Joh. 21:15-17; Ef. 4:11-12; 1 Pe. 5:2-3; 1 Tim. 3:2;5:17; Hand. 20:28-30; 1 Pe. 1:2; Luc. 15:8; Heb. 13:12; 10:29; Rom. 15:16; 6:19, 22; 2 Pe. 1:4; Ef. 1:4; 1 Tes. 5:23

 

In dit hoofdstuk zullen we twee onderdelen van Gods organische behoudenis behandelen, namelijk voeding en heiliging. Deze onderdelen staan nauw met elkaar in verband, omdat er zonder voeding geen heiliging kan zijn. Hoe meer we ons voeden met het Woord van God, hoe meer we geheiligd zullen worden. Het Woord, waarmee we ons voeden, heiligt ons. In Johannes 17:17 bidt de Here Jezus: "Heilig hen in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid". Het Woord bevat namelijk het element waarmee God ons heiligt. Om deze reden staan voeding en heiliging nauw met elkaar in verband.

 

HET GEHEIM VAN HET VOEDEN

 

Het voeden is het tweede onderdeel van Gods organische behoudenis. Voeden is het vervolg op de wedergeboorte. Iedere moeder weet, dat een pasgeboren baby voeding nodig heeft. Moeders weten ook, dat het voeden met melk de beste manier is om een baby te troosten en te bevredigen. Het voeden is daarom het vervolg op de geboorte, de wedergeboorte.

 

De wedergeboorte geeft ons een goddelijk bestaan en maakt ons tot goddelijke personen. Als het vervolg op de wedergeboorte stelt de voeding ons in staat ons goddelijke bestaan in stand te houden en te ontwikkelen. Het voeden is een gestadig proces, dat zich voortzet en bovendien aan alle andere onderdelen van Gods organische behoudenis – zoals heiliging, vernieuwing, transformatie, opbouw, gelijkvormigheid en verheerlijking – ten grondslag ligt. Het voeden zal daarom altijd door blijven gaan, vanaf de wedergeboorte tot aan de verheerlijking. Door het voeden ontvangen we niet alleen het element waarmee God ons heiligt, maar ontvangen we bovendien de rijkdommen waarmee God ons vernieuwt, transformeert, opbouwt, gelijkvormig maakt en verheerlijkt.

 

De eerste voeding

 

De fase van de voeding begint met het voeden van de pasgeboren baby's, de nieuwe gelovigen. We voeden hen door ervoor te zorgen, dat zij het Woord biddend lezen en dat zij de Heer aanroepen door de oefening van hun geest. Wanneer wij door Christus gekoesterd worden, zullen we het zelfs fijn vinden om het Woord in ons op te nemen. Zo moeten ook wij de nieuwe gelovigen koesteren aan de hand van het biddend lezen van het Woord, door de oefening van hun geest. Zolang je de nieuwe gelovigen maar liefderijk verzorgt, zullen zij bereid zijn om hun geest te oefenen en het Woord biddend te lezen.

 

Telkens wanneer wij bidden, moeten wij in de geest bidden (Ef. 6:18). We oefenen onze voeten door ermee te lopen, terwijl we onze geest oefenen door ermee te bidden. Wanneer Christus ons liefderijk verzorgt, voelen we ons blij en gelukkig. Dan zullen we spontaan onze geest oefenen om te bidden en de Heer aan te roepen. Het is heel moeilijk om te bidden zonder de Heer aan te roepen. Romeinen 10:12 zegt, dat de Heer "rijk is voor allen, die Hem aanroepen". Wanneer we de Heer aanroepen, genieten we van Zijn rijkdommen.

 

We voeden de pasgeboren baby's, de nieuwe gelovigen, met de melk van het Woord, dat wil zeggen met de Geest (Joh. 6:63; Ef. 6:17), opdat zij in het goddelijke leven groeien tot hun dagelijkse behoudenis (1 Pet. 2:2). In Johannes 6:63 zegt de Here Jezus: "De woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en zijn leven". Het feit dat het Woord leven is, houdt in dat het voeding bevat. Volgens 1 Petrus 2:2 worden we gevoed door de melk van het Woord om te groeien tot onze behoudenis. Met deze behoudenis wordt niet de eeuwige behoudenis bedoeld, die we reeds bezitten, maar onze dagelijkse behoudenis.

 

We moeten dagelijks van heel veel dingen gered worden. Een zekere broeder kan bijvoorbeeld vlug van aard zijn. Als zodanig zal hij alles op de snelst mogelijke wijze ten uitvoer willen brengen. Meestal is dit wel goed, maar het is niet altijd zo goed. Geestelijk gezien is het niet zo goed om snel te handelen, omdat dit een teken is dat we iets uit onszelf doen zonder op de Heer te vertrouwen. Telkens wanneer we iets doen door op de Heer te vertrouwen, zullen we het langzamer aan doen en er zelfs weleens mee stoppen. Om gered te worden van zijn vlugheid moet deze broeder dus een dagelijkse behoudenis ervaren.

 

De voortzetting van de voeding

 

Na de eerste voeding moet het voeden zonder ophouden voortgezet worden. Dit betekent dat de opgroeiende gelovigen met de vaste spijs van het Woord, dat wil zeggen met de Geest des levens (Heb. 5:14), gevoed moeten worden. Uiteindelijk zullen zij de volwassenheid in het goddelijke leven bereiken, die de transformatie en de gelijkvormigheid aan het beeld van Christus ten doel heeft. Bepaalde gedeelten van de Bijbel bevatten geen melk, maar vast voedsel, zoals bijvoorbeeld het woord omtrent het Nieuwe Jeruzalem in Openbaring 21 en 22. Indien we uitsluitend melk drinken, zullen we nooit volwassen worden, omdat volwassenheid afhankelijk is van vast voedsel.

 

Het weiden is inbegrepen bij het hoeden

 

Het weiden, in Gods organische behoudenis, is inbegrepen bij het hoeden. In Johannes 21:15 zei de Heer Jezus tegen Petrus: "Weid mijn lammeren". In vers 16 zei Hij tegen hem: "Hoed mijn schapen" en in vers 17 zegt Hij tenslotte: "Weid mijn schapen". Indien we niet weten wat hoeden betekent, zullen we anderen onmogelijk kunnen weiden. De belangrijkste reden voor de huisgroepen en de "vitale groepen" in het gemeenteleven, is niet alleen de zorg die we voor elkaar moeten hebben, maar veeleer het hoeden van elkaar. Dit is het principe van het wederzijdse hoeden. Wanneer we anderen hoeden, moeten we ze allereerst liefderijk verzorgen om ze blij en gelukkig te maken. Daarna zal het mogelijk zijn om hen te weiden. Dit soort weiden is het echte hoeden.

 

Hoeden heeft verder ook met onderwijzen te maken. Dit wordt duidelijk tot uitdrukking gebracht in Efeziërs 4:11, waar gezegd wordt dat het Hoofd "zowel apostelen als profeten, zowel evangelisten als herders en leraars" aan het Lichaam gegeven heeft. Herders en leraars worden in dit vers als één groep beschouwd. Dit betekent dat iemand die herder is, tegelijkertijd ook leraar is. Onderwijzen en hoeden horen dus ook bij elkaar.

 

De goede Herder

 

Christus is gekomen, opdat de gelovigen het leven zouden hebben (Joh. 10:10b). Hij is de goede Herder, die Zijn leven inzet voor de verlossing van de gelovigen. Vervolgens is Hij opgestaan om Zijn schapen te voeden – met Zichzelf als de groene weide – zodat zij het leven in overvloed zouden hebben (v. 2-4, 9, 11, 14-16). In Johannes 14:16 zegt de Here Jezus: "Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven". Deze andere Trooster is de Geest. De Heer was de eerste Herder en de Geest is de tweede Trooster en Herder, die het werk van de eerste Herder voortzet.

 

Hoedt al Zijn gelovigen

 

Christus hoedt al Zijn gelovigen en voert hen naar de bronnen van het water des levens (Op. 7:17). In de toekomstige eeuwigheid zal Christus onze eeuwige Herder zijn, die ons naar de bronnen van het water des levens voert.

 

De grote Herder

 

In Zijn opstanding hoedt Christus – als de grote Herder – de kudde Gods, om de gelovigen te vervolmaken, zodat zij altijd Gods wil zullen doen (Heb. 13:20-21). De gelovigen kunnen Gods wil doen, omdat ze in de opstanding vervolmaakt worden door het hoeden van Christus. Omdat Christus nu in opstanding is, kan Hij ons vanbinnen hoeden. Wanneer wij zo door Hem gehoed worden, zullen wij Gods wil doen.

 

De Herder van de ziel van de gelovigen

 

Christus in de gelovigen is de Herder, die toezicht houdt op de ziel van de gelovigen (1 Pe. 2:25). Hij, als onze Herder, hoedt ons vanbinnen en vanbuiten. Hij hoedt ons vanbinnen, in onze ziel, om toezicht te houden op ons. Onze ziel heeft Christus nodig die ons hoedt en gadeslaat, om ons te corrigeren en te versterken. Onze ziel moet door Christus gehoed en geweid worden.

 

De Opperherder

 

Christus, als de Opperherder, zal de getrouwe oudsten, die de kudde Gods trouw hoeden, belonen met de onverwelkelijke krans der heerlijkheid (1 Pe. 5:4). Christus Zelf, als de Herder, heeft de oudsten in de gemeente aangesteld en heeft hun de taak gegeven om de kudde Gods te hoeden (v. 2).

 

De eerste verantwoordelijkheid van de oudsten is het hoeden van de kudde Gods, de gemeente, en niet om zich bezig te houden met administratieve zaken. Indien de oudsten de gemeente niet hoeden, kan deze nooit opgebouwd worden. Alle gelovigen, ongeacht het niveau van hun geestelijke groei, moeten gehoed worden. Zelfs wanneer we iemand – na de samenkomst – een enkel woord toespreken, kan dit een vertroostende, bemoedigende en versterkende uitwerking hebben.

 

De opdracht van de Heer aan Petrus

 

Juist omdat het zo nodig is, dat de gemeente gehoed wordt, gaf de Here Jezus de apostel Petrus de opdracht Zijn lammeren te hoeden en Zijn schapen te weiden uit liefde voor Hem (Joh. 21:15-17). Zoals we eerder al gezien hebben, droeg de Heer Petrus op Zijn lammeren te weiden en Zijn schapen te hoeden en te weiden. Vandaag moeten ook wij de lammeren – dat wil zeggen de jongeren – weiden en de ouderen hoeden.

 

De begaafde mensen

 

Christus als het Hoofd, heeft het Lichaam begaafde mensen geschonken, waarvan er sommigen herders zijn, die de gelovigen toerusten voor de opbouw van het Lichaam van Christus (Ef. 4:11-12). Hoeden is dus heel belangrijk voor de opbouw van het Lichaam van Christus.

 

De grootste verantwoordelijkheid van de oudsten

 

De grootste verantwoordelijkheid, die de oudsten in de gemeente hebben, is het hoeden van Gods kudde, door hen trouw te onderrichten (1 Pe. 5:2-3; 1 Tim. 3:2; 5:7). Een oudste moet bekwaam zijn om te onderwijzen (1 Tim. 3:2). De woorden bekwaam om te onderwijzen geven aan, dat de oudsten het verlangen en de gewoonte moeten hebben om te onderwijzen. Dit is één van de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om een oudste te zijn. In 1 Timoteüs 5:17 zegt Paulus, dat zij "die zich belasten met prediking en onderricht" dubbel eerbewijs toekomt. De oudsten moeten de kudde Gods hoeden door hen trouw te onderrichten.

 

HET GEHEIM VAN DE HEILIGING

 

De heiliging is het derde onderdeel van Gods organische behoudenis.

 

De drie aspecten van Gods heiliging

 

Gods heiliging van de gelovigen heeft drie aspecten.

 

Het eerste aspect

 

Het eerste aspect is de aanvankelijke, zoekende heiliging door de Heilige Geest en het lichtgevende Woord (1 Pe. 1:2; Lc. 15:8). 1 Petrus 1:2 spreekt over de "heiliging door de Geest, tot gehoorzaamheid en be­sprenging met het bloed van Jezus Christus". Dit is het begin van de heiliging, de heiliging door de Geest, die voorafgaat aan de gehoorzaamheid aan Christus en het geloof in de verlossing. Deze aanvankelijke heiliging gaat dus vooraf aan de rechtvaardiging door de verlossing van Christus (Rom. 3:24).

 

Dit aspect van de heiliging is ook terug te vinden in Lucas 15:8. In Lucas 15, een hoofdstuk over de behoudenis van de Drie-enige God, zoekt de Zoon (de herder) de verloren zondaar op een objectieve, algemene wijze en zoekt de Geest (de vrouw) de verloren zondaar op een subjectieve, persoonlijke wijze door in het binnenste van de berouwvolle zondaar te werken. In vers 8 wordt de zoekende Geest vergeleken met een vrouw, die een lamp aansteekt, die het huis veegt en die zorgvuldig de verloren schelling zoekt. Dit wijst op de aanvankelijke heiliging door de Heilige Geest.

 

Het tweede aspect

 

Het tweede aspect is het juridische aspect, namelijk de positionele heiliging door het verlossende bloed van Christus (Heb. 13:12; 10:29).

 

Het derde aspect

 

Het derde aspect is het organische aspect, namelijk de heiliging van ons karakter door de Heilige Geest (Rom. 15:16; 6:19, 22). Ten aanzien van deze drie aspecten van Gods heiliging, moeten we drie woorden onthouden, namelijk: aanvankelijk, juridisch en organisch.

 

In onze positie en in ons karakter

 

God heeft ons op een bijzondere wijze geschapen, opdat we uitsluitend voor Hem zouden bestaan. Maar omdat we van God afvallig geworden zijn, zijn we deze positie kwijtgeraakt. Bovendien is onze natuur (ons karakter) slecht geworden, wat uiteraard heel erg is. Door middel van onze behoudenis heeft God ons niet alleen geheiligd qua positie, maar tevens qua karakter. De heiliging van onze positie heeft betrekking op het objectieve, juridische aspect, terwijl de heiliging van ons karakter betrekking heeft op het subjectieve, organische aspect van Gods behoudenis.

 

Door de Heilige Geest

 

De heiliging van ons karakter is het werk van de Heilige Geest (Rom. 15:16), terwijl de heiliging van onze positie het resultaat is van het verlossende bloed van Christus. Door de positionele heiliging zijn wij rechtvaardig in Gods ogen. Door de heiliging van ons gevallen karakter kan onze geest door Christus in bezit genomen worden.

 

In ons karakter

 

De Geest heiligt dus het karakter van de gelovigen. Het woord karakter heeft betrekking op onze natuur. Het woord natuur verwijst naar een door God geschapen substantie, terwijl het woord karakter een negatieve betekenis heeft en op onze vervormde en gevallen natuur wijst. Onze natuur, die door God geschapen werd, is goed, maar deze natuur werd misvormd door de zondeval. Wanneer we dus naar onze gevallen natuur verwijzen, zullen we het (negatieve) woord karakter gebruiken.

 

Met de natuur van God

 

Volgens Gods organische behoudenis wordt ons karakter geheiligd met Gods heilige natuur (2 Pe. 1:4), opdat we heilig zouden zijn voor Hem. God heeft ons zelfs uitverkoren om heilig te zijn (Ef. 1:4). Heilig zijn betekent enerzijds, dat wij Gods heilige natuur bezitten en anderzijds dat wij deelhebben aan Zijn goddelijkheid.

 

Met het element van het opstandingsleven van Christus

 

De Heilige Geest heiligt ons bovendien met het element van het opstandingsleven van Christus, dat we door middel van het weiden ontvangen hebben. Hoe meer we ons voeden met het Woord, hoe meer we het opstandingsleven van Christus ontvangen, voor de heiliging van ons karakter.

 

Volledig geheiligd

 

De gelovigen worden geheiligd naar geest, ziel en lichaam – in die volgorde – opdat uiteindelijk hun hele wezen geheiligd zal zijn. 1 Thessalonicenzen 5:23 geeft aan dat het proces van de heiliging begint in onze geest, zich uitbreidt tot onze ziel en tenslotte ons lichaam bereikt. Op deze wijze zal ons hele wezen geheiligd worden.

 

Heilig zijn als de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem

 

Omdat alle gelovigen samen de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, zullen vormen, moeten zij stuk voor stuk net zo heilig zijn als de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem. Als we niet geheiligd zouden worden, zouden we nooit in aanmerking kunnen komen om een deel van de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, te worden. Als een heilige stad wordt het Nieuwe Jeruzalem opgebouwd uit alle heiligen.

 

Witness Lee

The Secret of God's Organic Salvation: 'The Spirit Himself with Our Spirit', ch. 2