In Christus blijven

Schriftlezing:
Joh. 15:4-5, 7-8; 1 Joh. 2:27-28, 21-23; Kol. 2:4, 8; 1 Tim. 1:3-4; Ef. 4:14; 1 Joh. 2:16; Jak. 4:1, 3; Fil. 4:6; 2:14; Ef. 4:26, 31; Gal. 5:2-4; Kol. 2:20-21; 1 Joh. 1:2-3; 4:8, 16; 1:5-7; 2:6; 3:24; 4:15-16; Joh. 14:23; Rom. 6:5; Ef. 4:15; Kol. 2:7; 1 Kor. 3:6; Joh. 15:8.

 

In het vorige hoofdstuk hebben we het over onze organische eenheid met Christus gehad. In deze organische eenheid zijn we werkelijk één met Christus in de Geest. Uitgaande van deze eenheid leert het Nieuwe Testament ons dat we in Christus moeten blijven. Het Evangelie van Johannes zegt dat Christus de wijnstok is en dat wij de ranken zijn (15:5). Als ranken behoren we altijd in Christus, de wijnstok, te blijven. De ranken en de wijnstok geven ons niet alleen een goed beeld van de organische eenheid, maar laten ons ook zien hoe de ranken in de wijnstok blijven. Indien de ranken in de wijnstok blijven, dan blijft de wijnstok uiteraard ook in de ranken. Dit wederzijdse blijven brengt uiteindelijk de groei van zowel de wijnstok als de ranken teweeg. De groei van de hele wijnstok is dus van dit blijven afhankelijk. Christus is de wijnstok en wij zijn Zijn ranken. Indien wij in Hem willen groeien en indien wij Hem in ons willen laten groeien, is het noodzakelijk dat we in Hem blijven. Het blijven in Christus is een centrale leer in het Nieuwe Testament, in het bijzonder in de brieven van Johannes en Paulus. De basis van deze leer is Johannes 15. Paulus ontwikkelt deze leer verder in zijn brieven.

 

IN CHRISTUS BLIJVEN EN JE NIET VAN HEM AF LATEN LEIDEN

 

In Christus blijven betekent permanent in Hem verblijven. Alle ranken zijn permanent aan de wijnstok verbonden. Zodra de rank verwijderd wordt, sterft zij. Aan de ene kant moet de boom de takken dragen en aan de andere kant moeten de takken aan de boom blijven zitten. Als gelovigen behoren wij in Christus te blijven, maar er zijn zoveel dingen die ons van Hem af willen leiden. Om in Christus te kunnen blijven, moeten we ons door niets en niemand af laten leiden.

 

Door dwaalleringen

 

In de eerste plaats kunnen dwaalleringen ons van Christus afleiden. Heden ten dage zijn er onder de christenen echt wel goede leringen, maar er zijn ook verscheidene ketterse leringen. Een van de grootste dwaalleringen is een beweging waarvan de stichter beweert dat hij een andere Christus is. Hij zegt dat Jezus Christus het onderspit heeft moeten delven, maar dat hij nu wel even de overwinning zal behalen. Wat een enorme dwaalleer! Iedereen die zo'n dwaalleer accepteert, zal zich zeer zeker van Christus af laten leiden. We moeten ons dus niet van Christus af laten leiden, maar veeleer in Hem blijven. 1 Johannes 2:21 zegt: "Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij haar weet en omdat geen leugen uit de waarheid is". Het woord "waarheid" in de brieven van Johannes verwijst naar Christus als de werkelijkheid van de Drie-enige God en de leugen verwijst naar een leer die dit loochent. 1 Johannes 2:22 zegt: "Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent". In de tijd van Johannes waren er sommigen die leerden dat Jezus een gewone mens was, de zoon van Jozef en Maria, en dat de Christus iemand anders was. Dit waren ketters die leerden dat Jezus niet de Christus was. In dit vers zegt Johannes, dat degene die ontkent, dat Jezus de Christus is, een antichrist is. Zo iemand is anti Christus, dat wil zeggen tegen Christus. Verloochenen dat Jezus de Christus is, is de Vader en de Zoon verloochenen. Wie zegt dat Jezus niet de Christus is, verloochent zowel de Vader als de Zoon, omdat de Drie-enige God één is. Het Nieuwe Testament zegt immers dat Jezus de Christus is, dat Christus de Zoon van God is en dat deze Zoon van God altijd bij de Vader is en één met de Vader is (Mt. 16:13, 16; Joh. 16:32; 10:30). Als je zegt dat Jezus de Christus niet is, dan betekent dat, dat je Christus verloochent. Als je Christus verloochent, verloochen je zowel de Zoon van God als de Vader, die één is met de Zoon. Dit is beslist een dwaalleer.

 

1 Johannes 2:23 zegt: "Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader". Dit vers toont eveneens aan dat de Vader één is met de Zoon. Als je de Zoon hebt, dan heb je de Vader. Maar als je de Zoon loochent, dan verwerp je tevens de Vader en heb je dus noch de Zoon noch de Vader. De positieve kant hiervan is, dat wie de Zoon belijdt dus ook de Vader heeft. Als we de Zoon belijden, dan hebben we ook de Vader. Dit is de waarheid. Het verloochenen van de Zoon is een dwaalleer, waardoor de gelovigen van Christus afgeleid worden.

 

Door filosofie, traditie en leringen die niets met Gods economie te maken hebben

 

Een andere manier om ons van Christus af te leiden is door middel van filosofie (Kol. 2:4,8). De filosofie in Colossenzen 2 verwijst naar de oude Griekse filosofie. Reeds in de eerste eeuw was deze filosofie de gemeente binnengedrongen. Dwaalleringen kwamen hoofdzakelijk van de Joden, terwijl de filosofie van de Grieken afkomstig was. Het is satans list om dergelijke dingen onder de christenen te brengen en hen zodoende van Christus af te leiden.

 

Tradities kunnen ons eveneens van Christus afleiden. In de eerste eeuw waren er niet alleen Joodse, maar ook Griekse tradities. Waar ter wereld het evangelie ook verkondigd wordt, overal hebben de mensen hun eigen tradities. Deze tradities houden de gelovigen van Christus af.

 

Andere dingen, die ons van Christus af kunnen leiden, zijn leringen die niets met Gods economie te maken hebben. In 1 Timotheüs 1:3-4 zegt Paulus dat we de leringen, die niets met Gods economie te maken hebben moeten vermijden. Het menselijke denken houdt er veel verschillende leringen op na. Maar zowel de goede als de slechte leringen houden ons van Christus af. De leringen van Confucius zijn goed, maar in China hebben deze leringen veel geleerde mensen van Christus afgebracht. Ten tijde van de apostelen hadden de Joden veel leringen uit de 39 boeken van het Oude Testament. Toen de gemeenten werden gesticht, namen deze Joden ook deel aan het gemeenteleven. Uiteindelijk maakte zowel de Joodse leer als de Griekse filosofie een sterke inbreuk op het gemeenteleven. Zo brachten de Joodse leer en de Griekse filosofie velen onder de eerste christenen van Christus af. Dit is de invloed van allerlei wind van leer waarover Paulus in Efeziërs 4:14 spreekt. In de afgelopen twintig eeuwen zijn vele leringen tot winden geworden, die de christenen bij Christus vandaan blazen. De rooms-katholieke kerk leert mensen de "heilige moeder" te aanbidden – in plaats van God en Christus rechtstreeks te aanbidden. Zij leert mensen tot Maria te bidden, die dan op haar beurt hun gebed weer naar God overbrengt. Dit is een grote dwaalleer, die de mensen van God afbrengt. Zelfs al lijken sommige leringen goed te zijn, dan nog kunnen ze de mensen van Christus afbrengen. Om in Christus te blijven moeten we alle dwaalleringen, filosofieën, tradities en zelfs veel goede leringen, die niets met Gods nieuwtestamentische economie te maken hebben, vermijden.

 

Door de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen, een hoogmoedig leven en genotzucht

 

Volgens 1 Johannes 2:16 zijn er ook nog andere dingen, die ons gemakkelijk van Christus af kunnen leiden, zoals de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een hoogmoedig leven. We zijn stuk voor stuk vleselijke mensen met veel vleselijke begeerten. Daarom moeten we altijd waakzaam zijn, omdat deze begeerten ons op elk willekeurig moment van Christus af kunnen brengen. Behalve de begeerte van het vlees is er ook nog de begeerte van de ogen. In 1933 ging ik voor de eerste keer naar Shanghai. In die grote stad had de gemeente twee samenkomsthallen, één in het westen van de stad en één in het noorden van de stad. Toen ik van de ene hal naar de andere reisde, om daar te spreken, moest ik door de Nankingstraat heen met zijn vele winkels en grote etalages, die zelfs om middernacht nog verlicht zijn. Toen ik die etalages bekeek kwamen er vele gedachten in mij op en tegen de tijd dat ik bij de andere hal aangekomen was, zag ik er tegenop om een geestelijke boodschap te geven. De etalages hadden namelijk de begeerte van de ogen opgewekt. Wanneer je zo alle etalages bekijkt, lijkt het wel alsof je geest verdwenen is, alsof Christus in de hemel is en jij in de hel bent. Door op deze manier te winkelen, geven heel veel mensen toe aan de begeerte van hun ogen.

 

In dit vers wordt er verder ook over hoogmoed gesproken. Een groter huis en een mooiere auto willen hebben heeft met hoogmoed te maken. Een mooie auto willen hebben om ermee te pronken is trotsheid. Deze drie dingen – de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en hoogmoedigheid brengen ons van Christus af.

 

In Jakobus 4:1,3 wordt over hartstochten gesproken, die ons ook van Christus afleiden. Drinken, eten, uitgaan en het beluisteren van bepaalde soorten muziek, kunnen ook hartstochten zijn die ons van Christus afbrengen.

 

Door bezorgdheid, mopperen, boosheid en ergernis

 

Bezorgdheid vormt eveneens een grote afleiding. Bezorgdheid is een ware kwelduivel. Wie kan er ook maar één dag zonder bezorgdheid leven? Vrouwen maken zich vaak zorgen om hun man. Soms maakt de vrouw zich al vanaf de eerste dag van hun huwelijk zorgen of haar man haar wel trouw zal blijven. Zodra de bezorgdheid er is, zal deze haar nooit meer loslaten. In de loop van het huwelijk worden er meestal wel een paar kinderen geboren. Vanaf de eerste dag dat hun kind geboren is, maken de ouders zich al bezorgd of het wel goed ademhaalt, goed eet en goed slaapt. Ouders zijn bezorgd voor hun kinderen, totdat deze zelf kinderen hebben. Ze maken zich zorgen of hun kinderen wel goed kunnen lezen, leren, hoge cijfers kunnen halen en aan de beste universiteit kunnen studeren. Daarna maken zij zich weer zorgen over de huwelijken van hun kinderen en als deze eenmaal getrouwd zijn, over hun kleinkinderen. Het leven van de mens is dus één en al bezorgdheid, die hem van Christus afhoudt.

 

In de brief aan de Filippenzen, die over het genot van Christus spreekt, zegt Paulus: "Weest in geen ding bezorgd" (4:5). Dit betekent, dat we ons nergens zorgen over moeten maken. Toch hebben we allemaal zorgen. Soms, wanneer we ons vandaag niet zo bezorgd maken, lenen we de zorgen gewoon van morgen. Ofschoon we nog steeds vandaag leven, maken we ons toch alvast zorgen voor morgen. Mensen zijn over het algemeen dus bezorgde wezens. We moeten echter niet vergeten, dat onze bezorgdheid ons van Christus afbrengt. Het is niet zo gemakkelijk om van je bezorgdheid af te komen. De beste manier om je bezorgdheid kwijt te raken is om al je zorgen aan God te vertellen (Fil. 4:6). We moeten ons geen zorgen maken; we moeten al onze bezorgdheid op Hem werpen (1 Pe. 5:7). Dit is uiteraard makkelijker gezegd, dan gedaan.

 

Mopperen is ook iets wat ons van Christus afbrengt (Fil. 2:14). Iedere man heeft wel eens op zijn vrouw gemopperd. Zo wordt er in het gemeenteleven ook weleens gemopperd: broeders die bijvoorbeeld op de oudsten mopperen; zusters die op de broeders mopperen; en jongeren die op de ouderen mopperen. Bezorgdheid en mopperen zijn twee dingen die ons gemakkelijk van Christus afbrengen. De brief aan de Filippenzen gaat over de ervaring van Christus. Maar de ervaring van Christus wordt vaak belemmerd door twee dingen: bezorgdheid en mopperen. Vandaar dat Paulus ons ervoor waarschuwt.

 

Boosheid en ergernis snijden ons ook van de ervaring van Christus af (Ef. 4:26,31). We worden allemaal te gemakkelijk tot ergernis bewogen; soms maken we ons al kwaad om een enkel woord. Jonge, maar ook oudere mensen ergeren zich over het minste of geringste. Onze ergernis brengt ons echter van Christus af.

 

Boosheid is het resultaat van ergernis. Ofschoon we boosheid niet als zonde kunnen beschouwen, brengt het ons toch dagelijks van de ervaring van Christus af. Daarom vermaant de apostel ons om niet boos te blijven totdat onze boosheid tot zonde wordt (Ef. 4:26).

 

Door cultuur, religie, ethiek, moraliteit en karakterverbetering

 

Andere dingen die ons van Christus af kunnen leiden zijn cultuur, religie, ethiek, moraliteit en karakterverbetering. Karakterverbetering lijkt op het eerste gezicht goed te zijn. Hoewel karakterverbetering op zich inderdaad niet slecht is, vormt zij desondanks een probleem. Karakterverbetering brengt ons uiteindelijk van het genot van Christus af. Het betekent namelijk, dat je meer aandacht besteedt aan je karakter dan aan Christus zelf. Daarom is karakterverbetering ook iets wat ons van Christus afhoudt.

 

We kunnen ook van Christus afgeleid worden door onze pogingen om het goede te doen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat wij het goede niet hoeven te doen, maar door onze pogingen om het goede te doen, worden we ook van Christus afgebracht. Onze pogingen om geestelijk, bijbels, heilig en overwinnend te zijn, brengen ons stuk voor stuk van Christus af. Dit betekent, dat we ons niet met cultuur, godsdienst, ethiek en moraliteit bezig moeten houden. Verder moeten we onze pogingen tot karakterverbetering staken, alsook onze pogingen om het goede te doen en om geestelijk, bijbels, heilig en overwinnend te zijn. We moeten ons uitsluitend om Christus bekommeren! Ons hele wezen – ons denken, onze overleggingen, onze gevoelens, elk deel van ons wezen – moet vervuld zijn met Christus. We moeten ons alleen om de ervaring van Christus bekommeren. Ik bedoel niet dat we losbandig, slecht of onverschillig moeten zijn. Ik bedoel dat we ons door niets anders dan Christus en de ervaring van Christus in beslag moeten laten nemen. Deze leer is niet van mijzelf, dit is iets wat rechtstreeks uit het Nieuwe Testament komt. Na jarenlange studie van het Nieuwe Testament, besefte ik tenslotte, dat we alles wat niet Christus zelf is, moeten laten varen en eenvoudig in Christus moeten blijven. Christus is namelijk veel meer waard dan cultuur, religie, ethiek, moraliteit en karakterverbetering. Hij is het allerhoogste en het allerbeste wat we kunnen bevatten en ervaren. We moeten in niets anders blijven dan in Christus zelf, ongeacht hoe goed of uitmuntend andere dingen ook mogen zijn. We moeten ten alle tijde in Hem blijven.

 

IN DE GEMEENSCHAP VAN HET GODDELIJKE LEVEN BLIJVEN

 

In onze Levensstudie van de eerste brief van Johannes brachten we naar voren dat wij, die het goddelijke leven ontvangen hebben, in de goddelijke gemeenschap zijn gebracht. Deze goddelijke gemeenschap is de stroom van het goddelijke leven. Elektriciteit is iets wat alle elektrische apparaten van stroom voorziet. Elk apparaat moet echter wel op de energiebron aangesloten blijven om van elektriciteit voorzien te kunnen worden. In ons binnenste bevindt zich de stroom van het goddelijke leven. Voor het genot en de ervaring van Christus moeten we wel op de stroom van het goddelijke leven aangesloten blijven. Wanneer we in de stroom van het goddelijke leven blijven, zullen we God als de bron zeker beroeren. Dit wordt duidelijk in de eerste brief van Johannes uiteengezet. Ten eerste vertelt Johannes ons, dat de apostelen ons het goddelijke leven meegedeeld hebben (1:2-3). Zodra we het goddelijke leven ontvangen, hebben we al gemeenschap met God. Nu moeten we in deze gemeenschap blijven om God te beroeren en te genieten als de ware bron van genade en waarheid. In deze gemeenschap beseffen we dat God liefde en licht is (4:8, 16; 1:5-7). De goddelijke liefde is de bron van genade, terwijl het goddelijke licht de bron van waarheid is. Wanneer we deze bron beroeren, zullen we automatisch van Christus genieten. We genieten misschien van God als liefde en licht, maar het resultaat is dat we Christus als genade en waarheid ervaren.

 

Dit is het geheim van de ervaring van Christus. In 2 Korinthiërs 13:13 zegt Paulus: "De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen". Op deze wijze genieten we van de Drie-enige God en beroeren we Hem bovendien als de bron – door in de goddelijke gemeenschap te blijven. Wanneer we de Drie-enige God als de bron van liefde en licht beroeren, zullen we Christus niet alleen als genade en waarheid genieten, maar dan zullen we Hem bovendien als de transmissie ervaren, in de gemeenschap van de Heilige Geest. Dit is het genot van genade en waarheid. Aan de hand van dit genot beseffen we, dat Gods liefde en licht aan alles ten grondslag ligt. Dit kan gemakkelijk bewezen worden aan de hand van onze eigen ervaring.

 

IN CHRISTUS BLIJVEN EN BIJ HEM INWONEN

 

In Christus blijven betekent niet alleen dat we bij Hem blijven, maar het betekent bovendien dat we bij Hem inwonen. "Bij Hem inwonen" geeft aan dat Hij onze woning is. Het Griekse woord voor "blijven" is namelijk "huisvesten". Johannes 14:23 gebruikt hetzelfde Griekse stamwoord in de nominatiefvorm. Als zelfstandig naamwoord heeft dit woord de betekenis van woning, verblijfplaats of huis. Het Griekse woord voor blijven betekent niet zozeer (tijdelijk) verblijven als wel (permanent) huisvesten.

 

In Christus blijven betekent dus niet slechts (tijdelijk) in Hem vertoeven, maar veeleer (permanent) bij Hem inwonen. Wanneer ik zo nu en dan de gemeenten bezoek, logeer ik vaak in het gastenverblijf van de gemeente. Ofschoon ik daar enige tijd mag verblijven, zal ik er toch nooit voorgoed mijn intrek nemen. Het is immers de bedoeling dat ik na een paar dagen weer wegga. Zo moet ons leven in Christus natuurlijk niet zijn. We moeten ons voorgoed in Hem vestigen. Indien je ergens een paar dagen verblijft en dan weer weggaat, dan is dat niet zozeer een woning als wel een hotel of motel geweest. Jammer genoeg verblijven vele christenen in Christus als in een motel, namelijk voor een tijdelijk verblijf. Maar het is noodzakelijk dat we ons in Christus installeren en thuis voelen. In Johannes 14:23 zegt de Here Jezus: "Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen". Dit vers zegt, dat de Vader en de Zoon tot ons zullen komen en bij ons zullen wonen. Dat de Vader en de Zoon bij ons willen wonen betekent dat de Drie-enige God zich in ons wil installeren. De woning in Johannes 14:23, 1 Johannes 2:6, 3:24 en 4:15-16 is dus een gemeenschappelijke woning. God neemt ons als Zijn woning en wij nemen Hem als onze woning. Onze werkelijke en permanente woning is God zelf. Christus is onze woning, onze verblijfplaats.

 

GROEIEN IN CHRISTUS

 

Tenslotte betekent in Christus blijven ook dat we in Hem groeien. Als je Christus als je woning neemt, zal Hij uiteindelijk ook je aarde worden. Neem nu bijvoorbeeld de ranken die aan de wijnstok zitten. De wijnstok is niet alleen een woning, maar tevens de grond voor de ranken. Terwijl de ranken in de wijnstok wonen, zijn ze er tevens in geworteld (Kol. 2:7). Op deze wijze groeien en de wijnstok en de ranken (1 Kor. 3:6; Ef. 4:15). De wijnstok en de ranken in Johannes 15 is dus geen illustratie van een dode, levenloze woning. De woning in Johannes 15 is een organische woning, omdat alle bewoners vruchtdragende ranken zijn (v. 5). Dat de ranken vrucht dragen komt doordat zij groeien. Als we in Christus blijven, zullen we zeker groeien. Op deze wijze ervaren we Hem, genieten we van Hem en groeien we in Hem en door Hem. Terwijl wij in Hem groeien, groeit Hij in ons en is er dus sprake van wederzijdse groei (Rom. 6:5). Dit is het genot van Christus alsook de werkelijke ervaring van Hem. Ik hoop dat wij een voor een het verblijven in Christus in praktijk zullen brengen.

 

Witness Lee

The Secret of Experiencing Christ, ch. 6