De behoefte aan openbaring

Schriftlezing:
Efeziërs 1:3-23

 

We hebben het gebed van Paulus voor de heiligen (Ef. 1) inmiddels in overweging genomen. Dat gebed had slechts één hoofdpunt: hij hoopte namelijk dat zij een geest van wijsheid en openbaring zouden ontvangen, zodat zij iets konden zien. Efeziërs 1 spreekt vooral over het feit dat al Gods werken volbracht zijn. Het is dus niet noodzakelijk dat God méér werken ten uitvoer brengt. Het is echter wel noodzakelijk dat wij een openbaring ontvangen ten aanzien van de werken die God inmiddels heeft voltooid. God heeft niet alleen gepland, maar heeft zich bovendien iets voorgenomen. Vandaag is het daarom zo belangrijk dat Gods kinderen zowel Zijn plan als Zijn voornemen kennen. "Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat" (Heb. 11:6). God is Degene die bestaat; Hij verandert dus niet. Daarom is het zo belangrijk dat we God zien bij wijze van openbaring. De apostel bad dat God ons een geest van wijsheid en openbaring zou geven in de volledige kennis van Hem "die al bestaat". Opdat wij een volledige kennis zouden hebben van Zijn vooraf bepaalde plan en Zijn volbrachte werken. Er zijn vele mensen die hopen dat God enkele nieuwe maatregelen zal treffen en enkele nieuwe werken ten uitvoer zal brengen ten behoeve van Zijn plan. Maar de apostel heeft aangetoond dat God dit niet hoeft te doen. Hij wil slechts dat wij zien dat God bestaat. Het is niet slechts een zaak dat wij wensen dat Gods plan zus of zo zou zijn. God heeft inmiddels Zijn maatregelen al getroffen en wij hebben daarvan slechts een openbaring nodig. Het is dus niet nodig dat Hij meer doet dan hetgeen Hij al gedaan heeft; maar het is wel noodzakelijk dat wij zien wat Hij heeft volbracht. Zodra wij iets zien, zullen wij een nieuwe ervaring opdoen. We hebben dus een geest van wijsheid nodig om Zijn werk te begrijpen; maar een geest van openbaring is noodzakelijk om te zien wat Hij al gedaan heeft. Alleen dan zullen wij bruikbaar zijn in Gods ogen.

 

Paulus liet ons dus twee delen zien met betrekking tot Gods werk. Het eerste deel vond plaats voor de grondlegging der wereld. Terwijl het tweede deel plaats vond aan het kruis. Het ene deel heeft met Gods eeuwige plan te maken, dat Hij voor de grondlegging der wereld beraamde. Terwijl het andere deel met onze val en ons falen te maken heeft. Aan het kruis heeft Hij echter met het laatstgenoemde afgerekend. In de verleden eeuwigheid had God een roeping, een uitverkiezing en een voorbeschikking. Alles wat Hij wilde werd voor de grondlegging der wereld beraamd. Hij heeft geselecteerd en uitverkoren en niemand kan dat veranderen. De mens viel en satan verscheen op het toneel om Gods werk te verwoesten, vanaf de grondlegging der wereld. Maar dank de Heer voor de uitnemende grootte van Zijn kracht aan ons die geloven. Ofschoon de val inderdaad plaats vond, was er echter ook een verlossing aanwezig. Ofschoon de dood zijn intrede gedaan had, was de opstanding echter nabij. God heeft een eeuwig plan, maar Hij heeft tevens een verlossing. Op het eerste gezicht leek het wel alsof Gods eeuwige plan door de mens beschadigd was, maar wat door de val beschadigd werd, werd door de opstanding hersteld en teruggebracht. Het kruis is bij machte om de bezwering van de val te breken, terwijl de opstanding bij machte is om de dood te verwijderen. Zo wordt Gods werk dus voltooid door het kruis en door de opstanding.

 

Gods werk is voltooid. Er is niemand onder ons die God hoeft te vragen om nog meer voor ons te doen. Sommigen hebben gezegd: "Het zou geweldig zijn, indien God – voor de grondlegging der wereld – aanvullende maatregelen had getroffen." Maar Paulus zei dat de maatregelen die Hij voor de grondlegging der wereld getroffen had, volmaakt waren. Wij zeggen misschien: "Hoe geweldig zou het zijn, indien God vandaag nog iets voor ons deed." Maar God wil dat wij ons realiseren, dat alles aan het kruis en door de opstanding verwezenlijkt werd. De gelovigen hoeven God dus niet meer te vragen of Hij nog iets voor hen kan doen. Wat we nu vooral nodig hebben is Gods openbaring. Vandaar dat Paulus niet bad dat God wat meer werk voor ons zou doen. Verder wenste hij ook niet dat God ons rijkere genade zou schenken. Bovendien bad hij niet dat God wat meer van Zijn kracht in ons zou openbaren. Hij bad dat God ons een geest van wijsheid en openbaring zou geven in de volledige kennis van Hem en dat Hij de ogen van ons hart zou verlichten om de hoop van onze roeping, de rijkdom van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen en de uitnemende grootte van Zijn kracht aan ons te zien en te kennen. Paulus bad dus niet dat wij meer van Hem zouden hebben, maar hij bad dat wij de heerlijkheid, de rijkdom en de grootte zouden zien van hetgeen wij reeds hebben ontvangen. Het is niet zozeer Gods werk dat vandaag de dag ontbreekt, maar veeleer een openbaring van Zijn werk. En wat we nu juist vandaag de dag zo nodig hebben, is niet meer van Gods werk, maar veeleer een openbaring van Zijn werk. Het gebed van Paulus in Efeziërs 1 is voornamelijk dat wij, de heiligen, zouden zien wat God reeds heeft volbracht. Hij bad dus niet dat God de gelovigen meer kracht zou geven. Hij bad ook niet dat God meer werk zou doen. Hij bad voor wijsheid en openbaring. Deze wijsheid en openbaring stellen ons in staat om te zien wat God reeds heeft volbracht. Het antwoord op dit gebed is uiteraard openbaring. Het gaat er dus niet om of God al dan niet werkt. Het gaat er veeleer om of wij al dan niet openbaring ontvangen. Het verschil tussen deze twee zaken is groot. Heel veel christenen hopen van alles en nog wat, alsof God nog nooit aan hen gewerkt heeft of hun nog nooit iets gegeven heeft. Het bijzondere aan Efeziërs 1 is, dat het aantoont, dat God alles volbracht heeft. Hij heeft niets aan ons over gelaten. God heeft alles volbracht; zowel in de verleden eeuwigheid als aan het kruis en in de opstanding. Vandaag blijft er nog maar één vraag over: hebben we openbaring ontvangen, of niet? Het gaat er dus niet om of God gewerkt heeft of niet. Het gaat er nu juist om of we Gods volbrachte werk gezien hebben.

 

Veronderstel nu eens dat een bepaalde broeder zeer opvliegend is en dat hij niet bij machte is om deze opvliegendheid te overwinnen. Nu vraagt hij zich af, waarom God niet met zijn opvliegendheid afrekent. Het lijkt wel alsof hij God deels verantwoordelijk stelt voor zijn probleem. Besef je wel dat zijn probleem in feite is, dat hij nog steeds hoopt dat God een werk zal doen? Hij meent dat alles koek en ei zal zijn, indien God nu alleen Zijn vinger maar eens een beetje bewoog! Maar Efeziërs 1:3 zegt dat God "ons gezegend heeft met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus". "Gezegend heeft" betekent dat het inmiddels is gebeurd. God wil niet dat wij meer van Hem verlangen dan hetgeen Hij al gedaan heeft. Hij wil eenvoudig onze ogen openen, zodat wij kunnen zien dat Hij alles reeds gedaan heeft. Halleluja! God wil dat wij zien, dat Hij alles reeds gedaan heeft. Dit is wat Efeziërs 1 ons laat zien. Misschien bidden we nog steeds: "God, waarom geeft U mij geen kracht om zowel mijn opvliegendheid als mijn slechte gewoonten weg te jagen?" Wij bidden misschien nog steeds om grotere kracht. De Bijbel zegt daarentegen dat we geen grotere kracht nodig hebben, maar veeleer een geest van wijsheid en openbaring om de uitnemende grootte van Zijn kracht in ons te zien. Indien God onze ogen op een dag opent, zullen we zien hoe groot de kracht eigenlijk is, die zich in ons bevindt. Dan zullen we zonder meer toegeven dat er geen grotere kracht bestaat dan deze.

 

Besef je eigenlijk wel dat de opstandingskracht Gods grootste kracht is? Dit is wat de Bijbel ons openbaart: de opstanding is het hoogtepunt van Gods werk. God wil ons laten zien dat Hij alles reeds volbracht heeft en dat Zijn werk in Christus zijn hoogtepunt bereikte. Om deze reden is het dus onmogelijk om er iets aan toe te voegen. Vandaar dat Paulus – in Efeziërs 1 – God niet om meer werken vroeg. In zijn gebed verwachtte Paulus dan ook niet dat God méér zou doen. De Heer zij gedankt en geprezen! Gods werk is volbracht! Het is onmogelijk om er iets aan toe te voegen. God heeft nu geen ander verlangen dan onze ogen te openen en ons iets te laten zien. Zodra we deze kracht werkelijk zien, zal zij in ons geopenbaard worden.

 

Velen onder Gods kinderen hebben hun hoop echter op een toekomstige behoudenis gevestigd. Voor hen is behoudenis iets wat je morgen of misschien volgend jaar kunt verwachten. Maar God wil ons nu juist vandaag een volbrachte behoudenis tonen. We hoeven daarom niet op de toekomst te wachten. Voor velen is overwinning iets wat tot morgen of tot de toekomst behoort. Zowel de verlangens als de hoop en de gebeden van veel mensen hebben voornamelijk betrekking op de toekomst. Maar indien we openbaring ontvangen, zullen we al de feiten zien die door God volbracht zijn. Openbaring toont ons dus wat God volbracht heeft en niet wat Hij zal volbrengen. Vele mensen hopen op een spoedige bevrijding van bepaalde zwakheden en tekortkomingen. Maar indien God onze ogen opent, zullen we zien dat onze zwakheden en tekortkomingen inmiddels door het kruis onder handen genomen werden. Zodra onze ogen geopend zijn, zullen we zeggen: "God, ik dank en prijs U, dat U alles reeds volbracht heeft. Ik dank en prijs U bovendien, dat U al deze dingen reeds overwonnen heeft."

 

Wij stellen Efeziërs 1 zozeer op prijs, omdat dit Schriftgedeelte laat zien dat niet alleen de vergeving der zonden en de verlossing, maar ook het ontvangen van de Geest stuk voor stuk volbrachte feiten zijn. Dit hoofdstuk toont aan dat wij alles reeds bezitten en dat we slechts één ding nodig hebben – openbaring. Zodra we openbaring ontvangen, is alles in orde. We zijn nog steeds zo zwak, omdat we geen openbaring hebben. We zijn nog steeds zo onbruikbaar voor de Heer, omdat we geen openbaring hebben. Ofschoon de Heer Jezus zo krachtig was toen Hij op aarde leefde, zijn wij niettemin nog zo zwak – omdat we geen openbaring hebben. De kracht die destijds in Christus werkte, is dezelfde kracht van God die nu in de gelovigen werkt. God heeft ons deze kracht gegeven. Het verschil zit in het feit dat wij veel minder zien dan onze Heer. Het verschil zit dus niet in de soort kracht of de hoeveelheid kracht die we bezitten. Het verschil zit in hetgeen we zien. Waar we vandaag de dag vooral gebrek aan hebben is openbaring. Zodra we openbaring hebben, is alles in orde.

 

Dit is de reden waarom we deze zaak van openbaring voortdurend benadrukken – openbaring is namelijk een ijzeren noodzakelijkheid. Zonder openbaring is alles tevergeefs. Het is dan ook zinloos om iets te horen zonder openbaring. We kunnen dit eenvoudig niet genoeg benadrukken. Het is dus een zaak van openbaring en niet van leerstellingen. Het is nutteloos om jezelf vertrouwd te maken met Efeziërs 1 of dit hoofdstuk zelfs maar uit het hoofd te leren. Maar zodra we iets zien, zijn we een ander persoon. Paulus bad dat "God . . . . ons een geest van wijsheid en openbaring zou schenken" (v. 17). Zonder de Heilige Geest is alles tevergeefs. Scherpzinnigheid is waardeloos en leerstellingen zijn zinloos. Alleen de Heilige Geest kan onze ogen openen en ons openbaring geven. Wanneer de Heilige Geest werkelijk onze ogen opent en ons openbaring geeft, zullen we onmiddellijk uitroepen: "God zij dank, dat alles reeds volbracht is". We moeten niet verwachten dat God ons meer kracht zal geven. We hoeven slechts de uitnemende grootte van de kracht te zien, die God ons reeds gegeven heeft. Een geest van wijsheid stelt ons dus in staat iets te begrijpen, terwijl een geest van openbaring ons in staat stelt iets te zien. Zo is er dus een dringende behoefte aan wijsheid en openbaring. We hebben wijsheid nodig voordat we iets kunnen begrijpen, terwijl we openbaring nodig hebben voordat we iets kunnen zien en doorgronden.

 

Gods eeuwige plan is ons wellicht menigmaal ter ore gekomen. En misschien hebben we ook weleens iets gehoord over de positie van de Gemeente ten aanzien van Gods eeuwige plan. Maar wanneer zal dit eeuwige plan werkelijkheid voor ons worden? Het begint met onze openbaring. Openbaring stelt ons in staat niet alleen Gods ordening, maar ook Zijn in de verleden eeuwigheid volbrachte werk te zien. Openbaring stelt ons bovendien in staat, om te zien wat God aan het kruis ten uitvoer bracht. Openbaring toont ons dus Gods eeuwige plan, Zijn werk aan het kruis en de kracht die Hij aan ons heeft gegeven. Openbaring maakt ons niet alleen een deel van de Gemeente, maar maakt ons tevens bruikbare vaten in de hand van de Heer.

 

Het is heel goed mogelijk dat we dit woord al eerder gehoord hebben. Maar we moeten er voortdurend aan herinnerd worden, dat openbaring eenvoudig onontbeerlijk is. Wij geloven dat God in de hemel zich ook vandaag de dag nog steeds bezighoudt met Zijn openbaring, omdat Hij inmiddels alles volbracht heeft, wat Hij wilde volbrengen. Het is nu voornamelijk de vraag hoeveel we eigenlijk gezien hebben. Daarom is het niet nodig dat we meer van Hem verlangen. We moeten net zo bidden als Paulus, die zowel voor zichzelf als voor de andere broeders en zusters bad, dat God ons een geest van wijsheid en openbaring mag schenken. We moeten ons dus voor God vernederen en bidden: "Heer, open mijn ogen! Open mijn ogen!

 

Watchman Nee

A Prayer for Revelation